Dag lange busritten, dag goedkoop straatvoedsel, dag stranden, dag jungle, dag zatte mijnwerkers, dag medestudenten uit Montanita, dag overvolle metro’s, dag coloniale gebouwen, dag Oscar, dag watervallen en dag cerveza’s! Nu mijn laatste uurtjes in Zuid-Amerika hier op het vliegveld in Rio de janeiro wegtikken nog even een laatste groet vanuit de zon. Alle blogjes en foto’s van de afgelopen weken volgen volgende week vanuit Nederland, daar was afgelopen weken geen tijd voor. We hebben het erg leuk gehad hier in Rio de afgelopen dagen met Carnaval, met als duidelijk hoogtepunt het bezoek aan de Sambadrome. Een optocht die zijn weerga niet kent, het spektakel duurde van 20.00 uur tot 05.00 uur, waarbij er letterlijk duizenden mensen in de meest bijzondere costuums voorbij marcheerden. Ik zal de zon en de acai-bessen gaan missen, maar het is wel een leuk vooruitzicht om weer bekende gezichten te gaan zien in Nederland. Bedankt voor het volgen van mijn reis door dit boeiende continent en ik hoop jullie snel weer een keer in levende lijve te zien.

Voor de analisten onder ons nog even wat statistieken die ik op mijn reis heb bijgehouden:

Aantal dagen weg geweest: 208

Aantal verschillende overnachtingsplekken: 89

Kosten aan overnachtingen: 2077 euro

Transport per bus, trein en boot: 32.335 minuten

Kosten aan transport: 1827 euro

Aantal bereisde dorpen/steden: 139

Totale uitgaven aan mijn reis: 8000 euro

Veel groeten vanuit de zon en tot snel!

Hier even een berichtje uit het bruisende Rio! Het is een heel stuk warmer hier dan bij jullie denk ik. De 30 graden celcius op mijn thermometer zijn nog maar een schijntje met hoe het hier echt voelt buiten (met  t-shirt aan is het zweten, dus die laten de meesten maar uit). Gelukkig zitten we in een hostel op 10 minuten lopen van het strand, dus we gaan zometeen weer even lekker tussen de Brazilianen en andere toeristen liggen. Ons hostel is overigens ontworpen door Oscar Niemeyer, een leuke bijkomstigheid en ik was blij verrast want ik hoorde het pas bij aankomst. Komende week ook nog maar eens één van de bekende gebouwen bezoeken die één van mijn idolen heeft gefabriceerd. Vanavond hebben we kaarten voor de grandstands in de Sambadrome, dat is die optocht die je altijd op televisie ziet. Ik ben erg benieuwd naar de parade, het belooft een groot spectakel te worden.
De afgelopen dagen maken we zoveel mee en blijft er zo weinig tijd over dat het van blogjes schrijven en uploaden niet meer komt. Maar dat is eigenlijk altijd het geval op het eind van een reis, dan geniet je liever van elke minuut. Die blogjes kan ik thuis ook nog wel schrijven van de laatste weken, dat herinner ik me nog wel. Dus ik denk niet dat er nog iets online komt, tenzij ik me erg zit te vervelen komende week (weinig kans ;-) ). Ik zal nog wel een berichtjje plaatsen vanaf het vliegveld of op een ander moment komende week.
We gaan er nog even een paar mooie dagen van maken hier in dit gekkenhuis (het is echt gezellig druk bij de straatfeesten). Daar ook nog veel plezier gewenst met de festiviteiten!

Eindelijk lukt het ons om eens wat vroeger op pad te gaan. Nog steeds niet heel vroeg, maar we zitten om 09.30 uur in de bus naar Argentinië en dat is voor ons een hele prestatie. Voor de derde keer op onze reis steken we de grens tussen Brazilië en één van zijn buurlanden over en weer is het bij de grens een heel gedoe met stempels. De buschauffeur van de lijnbus zet ons af bij de douaniers in Brazilië voor onze exit-stempel (nadat we dat nadrukkelijk vroegen, anders was hij zomaar doorgereden) en rijdt vervolgens meteen verder. Daar staan we dan vijf minuten later, met onze exit-stempel op zak in the middle of nowhere. Vanaf hier naar de grenspost van Argentinië lopen is volgens een medewerkster te ver en gevaarlijk, dus er zit niets anders op dan maar weer wachten op een volgende bus. Wat raar dat de lijnbus niet even wacht totdat je een stempel hebt, het duurde maar een paar minuten om hem te halen. Ruim een half uur later gaan we met de volgende bus mee en bij de grenspost van Argentinië, die inderdaad een heel eind verderop ligt, wacht deze chauffeur wel totdat we onze stempel hebben. Zo doen we er uiteindelijk toch zo’n anderhalf uur over om vanaf ons hostel op het busstation in Puerto Iguacu aan te komen, de Argentijnse versie van het dorpje Foz do Iguacu. Vanaf het busstation is het nog 45 minuten naar de watervallen, een busrit die moet worden betaald met Argentijnse pesos, net als de entree van het park dat we vandaag gaan bezoeken. Op aanraden van de buschauffeur wisselen we bij hem 80 reais voor 200 pesos, een redelijke koers geloof ik en er zijn volgens hem de rest van de dag geen pinautomaten meer op onze route.

Wanneer we bij het nationale park aankomen blijkt dat de buschauffeur ons het juiste advies heeft gegeven, want er is nergens een pinautomaat te bekennen en de bustickets plus de entree kosten precies 198 pesos per persoon. De beste man zal wel vaker toeristen in zijn bus hebben gehad en weet natuurlijk van wanten. Voor de bus naar het park betalen we overigens 10 euro per persoon, een astronomisch hoog bedrag als je het vergelijkt met mijn overige ritten in Zuid-Amerika (gemiddeld 3 á 4 euro per uur). Er komen hier hordes toeristen en die betalen toch wel dat is de gedachtegang hier, dat is wel duidelijk. Het is achteraf voordeliger om met een georganiseerde dagtrip vanuit Foz do Iguacu te gaan, je betaalt dan 5 euro meer, maar hebt dan wel meer tijd bij de watervallen. Maar ja, zoals profeet Theo Maassen ons al gezegd heeft: “Achteraf? Tja, achteraf is het mooi wonen!”.

Het park waarin het Argentijnse deel van de watervallen liggen (zo’n 80% van de watervallen) is aanzienlijk groter dan dat in Brazilië. We komen er na binnenkomst (rond 12.30 uur) al meteen achter dat we er flink de pas in moeten gaan zetten willen we alles zien vandaag. Onze tocht begint met een korte wandeling van tien minuten en een treinritje door de jungle. Het treintje is een kleinere versie van die in de Efteling en brengt toeristen naar een afgelegen uitkijkpunt in het park. Dat afgelegen uitkijkpunt is het platform waar we twee dagen geleden de vermeende verdwaalde Japanners zagen staan, de plek van waaraf je zo de indrukwekkende Garganta del Diablo inkijkt. Vanaf eergisteren kijk ik al uit naar dit moment, het moment waarop we slechts enkele meters van de meest imposante watervallen af zullen staan. Via een lange loopbrug, begeleid door de brede kalme rivier onder ons met hier en daar flinke vissen, komen we uiteindelijk bij het uitkijkpunt der uitkijkpunten. Onder permanent gedonder valt er een extreme hoeveelheid water naar beneden in de hoefijzervormige rotspartij onder ons. Het gat waarin het water verdwijnt is zo breed dat het water aan de overkant bijna als in slow-motion naar beneden lijkt te vallen. Dit is met stip de grootste en meest indrukwekkende waterval die ik ooit in mijn leven heb gezien. Waar het vanaf de Braziliaanse zijde in de verte al spectaculair was om de Garganta del Diablo te zien, is het hier bijna onrealistisch zo enorm. Het is even flink dringen, want er staan letterlijk honderden mensen om dit natuurgeweld te aanschouwen, maar dan staan we op een plekje vooraan dat ik maar moeilijk af kan geven. Bijna machteloos probeer ik alles op zowel stil als bewegend beeld vast te leggen, maar het is eigenlijk tevergeefs, want vanuit een luie stoel in een Nederlandse huiskamer komt dit echt niet over zoals het hier is. Gletsjer Perito Moreno heeft in elk geval zijn grote concurrent gevonden hier in Zuid-Amerika als je het mij vraagt, hetzelfde gevoel van onbeschrijfelijke impact ervaar ik hier weer. We blijven zeker 30 minuten staan bij het hek, mijn ogen kunnen maar niet genoeg krijgen van het spektakel dat ze zien. En ik maar denken dat ik de watervallen eigenlijk wel goed genoeg had gezien vanaf de Braziliaanse zijde! In de verte zien we het Braziliaanse uitkijkpunt waar we eerder stonden als een klein miezerig puntje in de mist, een leuk stukje voorpret, maar dit vandaag is toch wel het echte werk. Wat een voorrecht om dit mee te mogen maken, ik zou er bijna speciaal voor naar Zuid-Amerika zijn gevlogen als ik had geweten dat het zo indrukwekkend was.

Met tegenzin verlaten we het uitkijkpunt, ik zou er met gemak een dag doorbrengen maar wellicht zijn er nog meer van deze wonderen in het park en die willen we zeker niet missen. Na een kleine lunch en een terugrit in het volle treintje (wat is het toch druk hier overal!) lopen we via the lower circuit naar een haventje. Onderweg komen we nog wat mooie watervallen tegen die ik normaal gesproken zeer indrukwekkend zou vinden maar die nu niet veel meer opleveren dan een paar foto’s die ik vanuit een onbewuste reflex maak. We komen er in de buurt van het haventje achter dat de laatste boot om 15.15 uur naar het eiland vertrekt, waar je een rondwandeling langs een paar watervallen kunt maken. Helaas is het al 15.30 uur en zijn we dus net te laat. Vooral Renee is erg teleurgesteld niet alleen omdat we nu een andere flinke waterval niet van dichtbij kunnen zien, maar ook omdat we niet meer kunnen zwemmen (dat kan aan de overkant) en het is behoorlijk warm. Ons alternatief is de brede rotswand met watervallen die we eerder vanaf de Braziliaanse zijde zagen. Wat in de verte op kleine witte streepjes leek is van dichtbij behoorlijk spektaculair. Natuurlijk overtreft dit niet de Garganta del Diablo, maar omdat we nu van onderaf tegen de watervallen aankijken is het toch wel bijzonder om te zien. Er is ook meer begoeïng in en om de watervallen waardoor de omgeving een ander karakter krijgt. Omdat we niet heel veel tijd meer hebben om rond te lopen in het park (de laatste bus terug naar Brazilië gaat alweer om 18.00 uur) lopen we nog snel even bovenlangs de muur van watervallen die we eerder van onderaf zagen en gaan dan weer richting de ingang van het park. Ook bij de relatief kleinere watervallen is het aardig om het water naar beneden te zien kletteren. We zien ook wat je weleens in tekenfilms ziet, zo’n karakteristiek kabbelend riviertje dat over een randje verdwijnt en dan plots een enorme waterval wordt. Het lijkt allemaal erg rustig en vredig bovenop het plateau, maar voordat je het weet ga je een randje over en lig je beneden. Ik ben stiekem toch wel benieuwd hoeveel Indianen hier in hun bootje verrast zijn door de plotselinge afgrond, de arme stakkers.

We keren terug naar de bus en zien nog wat rare beesten in het park, een soort grote cavia’s die vlakbij de ingang in de rondte grazen. Er waren vandaag weer veel verschillende dieren te zien onderweg, van vlinders tot vissen; het blijft mooi om het jungle-leven te ontdekken. Bij de grenspost in Argentinië, waar we onze exit-stempel halen, wacht de buschauffeur keurig op ons. Even hebben we de hoop dat we nu ook aan de Braziliaanse zijde meteen door kunnen, maar helaas worden we daar weer achtergelaten. Niet echt goed geregeld dus hier in Brazilië, nu moeten we weer een uur wachten op de volgende bus. Gelukkig worden we vergezeld door een grappig klein hondje, dat het fijn vindt als ik hem over zijn buik krab. Ik wil echter geen vlooien of andere ziektes en dus gebruik ik de onderkant van mijn schoenen om de hond te aaien. Het ziet er op de foto een beetje vreemd uit, net alsof ik het arme beest aan het vermorzelen ben, maar hij vindt het heerlijk. Eenmaal terug in Foz genieten we voor een laatste maal van de culinaire hoogstandjes in ons geliefde winkelcentrum. Vanaf morgen zullen we ons weer in de woestenij aan restaurantjes op straat moeten begeven. Nog maar even genieten van deze westerse faciliteiten hier dus, aan het einde van één van de meest memorabele dagen van mijn reis.

Foz do Iguacu bevindt zich vlakbij de grens tussen Brazilië en Paraguay en van die gelegenheid maken we vandaag gebruik om de op één na grootste stuwdam ter wereld te bezoeken. De Itaipu dam, ooit de grootste dam ter wereld, ligt zowel in Paraguay als Brazilië en is vanaf beide kanten te bezoeken. We kiezen voor de Paraguayaanse kant omdat we wel benieuwd zijn naar Paraguay en het Spaans me beter afgaat dan het Portugees. Even voor de beeldvorming een paar feitjes over de dam; De dam is gebouwd in de periode van 1974 tot 2007 en staat met een kostprijs van een slordige 27 miljard dollar op nummer twee in de top tien duurste objecten ooit door de mens gebouwd (op nummer één staat het International Space Station met 157 miljard dollar). Met het beton dat voor de constructie van de dam is gebruik kun je 210 voetbalstadions construeren en met de gebruikte hoeveelheid ijzer en staal maar liefst 380 Eiffeltorens. De dam is 7235 meter lang, 196 meter hoog en voorziet in 80 % van de totale energiebehoefte van Paraguay en in 20 % van die van Brazilië. Een monster dus, dat is alleen al aan de technische informatie te zien.

Via de bekende busterminal, waar ook de bussen naar de watervallen vertrekken, pakken we een lijndienst richting de grens. Om Paraguay in the mogen moeten we eerst Brazilië uit en daarvoor is uiteraard de befaamde stempel nodig. Die halen we bij het uitgestorven douanekantoortje en vervolgens lopen we the Friendship bridge over, de overbrugging van de rivier die Brazilië en Paraguay scheidt. Een wandeling van de ene kant naar de andere kant wordt niet aangeraden door onze reisgids vanwege mogelijke overvallen en berovingen, maar voor die paarhonderd meter hebben we ook geen zin om op een bus te wachten en het wandelpad ziet er niet echt onveilig uit. We zien een gezin met kinderen de brug oversteken en besluiten aan te sluiten alsof we deel uitmaken van de familie (even geen Nederlands praten dus). Uiteindelijk valt het qua rare figuren onderweg allemaal heel erg mee en bereiken we zonder een schrammetje de overzijde. Onze goede hoop op een Paraguayaanse stempel in ons paspoort smelt als sneeuw voor de zon wanneer de douanebeambte me zegt dat er iets mis is met de Braziliaanse exit-stempel in mijn paspoort. De datum op die stempel is 11 januari 2013, en dat terwijl ik pas vanaf 15 januari in dit land ben. Een onmogelijke situatie dus, maar die moet helaas opgelost worden voordat ik een Paraguayaanse stempel kan krijgen. We moeten dus weer terug de “onveilige” brug over, een wandeling van 10 minuten. Aan Braziliaanse zijde snappen ze niet wat er mis is gegaan en wordt de 1 in de stempel in mijn paspoort met een balpen veranderd in een 2 (het is vandaag 21 januari). Tja, zo kan ik het ook, daar nemen we dus geen genoegen mee! Straks staan we weer aan de andere kant van de brug en wordt ons verweten dat we het gewoon zelf hebben veranderd. Ik eis een nieuwe verse stempel en die krijg ik ook gelukkig, daarmee is de kous af. Nogmaals schaduwen we een paar betrouwbare personen de brug over en het betreden van Paraguay gaat vervolgens zonder problemen. Voortaan toch maar wat beter opletten waar ze die stempel in mijn paspoort zetten en welke datum erop staat.

Het eerste dat we doen in Paraguay is een winkelcentrum bezoeken. Omdat hier de belastingtarieven een stuk lager zijn dan die in Brazilië steken veel Brazilianen de grens over om inkopen te doen. De hele wijk die grenst aan de grensovergang is één groot winkelparadijs. Dat we weer in een armer gedeelte van Zuid-Amerika zijn gekomen is goed te zien in het straatbeeld, waar alle draden en verroeste borden los aan de gevels hangen en de wegen vol zand en afval liggen. Voor slechts 4 euro per persoon nuttigen we een heerlijke Paraguayaanse lunch op straat in plastic tuinstoelen, met heimwee denk ik terug aan Ecuador, Peru en Bolivia. Met mijn Spaans ben ik weer in staat om te communiceren met de wereld om me heen en dat is erg prettig. Geen verrassingen vandaag over wat er op mijn bord verschijnt, ik kan bestellen wat ik lekker vind. Het bestellen van een vegetarische maaltijd voor Renee gaat zelfs zonder enig probleem, ook al zitten we bij een eenvoudig vleesrestaurant.

Na de lunch lopen we via een lange markt Paraguay in en komen we na enig zoeken uit bij een bus die ons naar de Itaipu dam brengt. Binnen in de bus komen mijn herinneringen aan Bolivia, Peru en Ecuador ook weer tot leven, de halflege gammele oude bus piept en kraakt in elke bocht en de chauffeur rijdt als een overvaller die op de vlucht is voor de politie; ik voel me weer helemaal thuis! Hoe verwonderlijk het ook klinkt, we komen veilig en wel aan bij de grote toegangspoort van het park waarin de dam zich bevindt. Na een kleine wandeling naar een groot nieuw bezoekerscentrum kunnen we gratis deelnemen aan één van de excursies die zo plaats gaat vinden. We krijgen een film te zien over de dam en alles wat daarbij komt kijken, inclusief een mooi natuurfimpje over alle bossen die zijn geplant om de ecologische impact van het bouwwerk te compenseren. Door de aanleg van de dam is er namelijk een stuwmeer ontstaan van 1350 vierkante kilometer waarvoor meer dan 10.000 mensen noodgedwongen moesten verhuizen en grote watervallen, die nog indrukwekkender waren dan de Iguazu falls, zijn verdwenen. Er zijn dus best wat kanttekeningen te plaatsen bij het project, maar daar horen we in het bezoekerscentrum weinig over.

Na de film brengt een grote touringcar met airco (die is erg welkom op deze snikhete dag) ons naar de dam, die nog een behoorlijk stuk verderop ligt. Bij het uitkijkpunt waar we even later stoppen krijgen we een goede indruk van de omvang van het bouwwerk, dat vooral heel erg breed is. De hoogte is in het schaalloze taffareel moeilijk vast te stellen, alleen als je goed let op de miniscule touringcar die in de verte over de dam rijdt. We staan vlakbij de noodoverloop van de dam, die het zo goed doet op alle ansichtkaarten die we hebben gezien. Helaas heeft het de afgelopen tijd niet geregend en is het dus ook niet mogelijk om de enorme watermassa te aanschouwen die hier normaal gesproken naar beneden komt. We zien alleen maar een enorme hoeveelheid beton die flink opwarmt in de hete middagzon. De busrit voert ons verder richting de dam en we rijden eerst onderlangs, waar je de turbines kunt zien, en vervolgens bovenlangs, waar het enorme stuwmeer me doet verbazen dat zo’n relatief klein bouwwerkje van beton zo’n onvoorstelbare hoeveelheid water tegen kan houden. Helaas gebeurt dat alles zonder stoppen en uitstappen, waardoor we enigszins teleurgesteld in onze stoel moeten blijven zitten. Door de geblindeerde ramen vangen we alleen fragmenten op van de gigantische constructie waarover we rijden. Even uitstappen is echt essentieel voor een oprechte dambeleving hier, om maar te zwijgen over een paar goede foto’s van het geheel, maar helaas, het zit er niet in vandaag. Een beetje een slechte nasmaak dus, wanneer we even later weer in het bezoekerscentrum staan. Natuurlijk heeft de bus hierheen ons weinig gekost en de rondleiding was gratis, maar we hadden toch gehoopt om meer mee te krijgen van de dam dan wat we gezien hebben.

We keren terug naar Ciudad del Este, de op één na grootste stad van Paraguay. Het is al aan de late kant (17.00 uur) wanneer we door een aantal verlaten straten lopen waar het eerder op de dag nog zo druk was. Alle markten houden er hier zeer bijtijds mee op en overal zijn mensen bezig om alles weer aan te vullen. Alles met wielen wordt ingezet om goederen te verslepen en er is weinig orde in de manier waarop dat alles gebeurt. Het grensgebied heeft een beetje een grimmig karakter gekregen vanwege het gebrek aan winkelend publiek en een naderende regenbui en we proberen snel onze laatste Guaranies (de munteenheid van Paraguay) uit te geven aan een ijsje. Ik heb op mijn rondreis door Zuid-Amerika van alle landen wat munten gespaard en vandaag was de grootste uitdaging; van alle waardes Guaranies één muntje vinden, en het is me warempel gelukt. Het exemplaar van 50 Guaranies dat ik vond (omgerekend ongeveer 1 eurocent) is alleen niet helemaal gaaf meer want dat lag op de grond in de modder. Het muntje wordt namelijk niet meer gebruikt als betaalmiddel (het is gewoonweg te weinig waard, zelfs hier), net als het muntje van 100 Guaranies, dat ik uit de spaarpot van een aardige barvrouw kreeg. Het blijft leuk om moeite te moeten doen om de muntjes bij elkaar te krijgen. De mensen vinden het altijd leuk wanneer je geïnteresseerd bent ik hun cultuur, ook wanneer het gaat om muntjes.

We keren terug naar Brazilië, waarbij we langer moeten wachten bij de Braziliaanse grens dan op de heenweg. Er staan redelijke rijen bij de strenge douanier en de lijnbus naar Foz do Iguacu laat lang op zich wachten. Moe maar voldaan eindigen we onze dag weer in het grote winkelcentrum, waar we inmiddels kind aan huis zijn en onze avondmaaltijd feilloos weten te vinden. Al viel de excursie naar de dam wat tegen, we hebben toch weer een hoop meegemaakt op deze Paraguayaanse dag.

Het was een lange en slapeloze busrit (vooral voor Renee) waarop we vaak zijn gestopt. Het dieptepunt was rond 05.00 uur snachts, toen de chauffeur stopte en de halve bus het nodig vond om te gaan ontbijten bij een wegrestaurant. Maar er waren ook positieve kanten aan de nachtrit naar Foz do Iguazu; in de avondschemer zagen we voor het eerst het groene, glooiende braziliaanse landschap met hier en daar flinke rotspartijen. Het lijkt erop dat we de goede kant opgaan!

We arriveren in de ochtend in Foz do Iguazu, een klein stadje vlakbij het drielandenpunt tussen Brazilië, Paraguay en Argentinië. Net als vele andere toeristen zijn we hier eigenlijk maar voor één ding; de Iguazu Falls, een enorme partij watervallen op de grens tussen Brazilië en Argentinië, tien kilometer ten zuiden van de stad. Wanneer we per stadsbus Foz do Iguazu binnenrijden is er dan ook te merken dat er iets speciaals gaande is hier in de buurt. Hier en daar staan enorme hotels die gezamelijk een flinke lading toeristen kunnen verwerken, terwijl er verder zo op het oog niet veel te doen valt hier in het centrum. Het hostel dat we vooraf hebben geboekt ligt redelijk centraal tussen de hotels, maar helaas is de busroute ons niet gunstig gezind en stappen we na een kleine noodkreet acht blokken verderop uit. Gelukkig maakt het hostel dat we even later te voet bereiken een hoop goed. We komen terecht bij een kleine villa en worden zeer gastvrij ontvangen door moeder en zoon, die de boel hier klaarblijkelijk runnen. De paar kamers die worden verhuurd maken onderdeel uit van het huis of de schuur waardoor alles kleinschalig en gemoedelijk aanvoelt. Omdat de door ons geboekte kamer nog wordt bezet worden we tijdelijk ondergebracht in een ruime gezinskamer met drie bedden. Geen slechte overnachtingsplek dus, helemaal niet als je bedenkt dat we maar 11 euro per persoon per nacht betalen hier (inclusief ontbijt). We krijgen van de gebrekkig Engels sprekende zoon een kaartje van het stadje en uitleg over waar wat te doen is, wat op niet veel meer neerkomt dan het aanwijzen van een groot winkelcentrum en het busstation om naar de watervallen te gaan. Omdat het enorme winkelcentrum in Porto Alergre ons als doorgewinterde westerlingen zo goed was bevallen (niet in de laatste plaats vanwege de aangename aircotemperatuur binnen) laten we deze kans niet aan ons voorbij gaan en brengen we nog dezelfde ochtend een bezoekje aan het wederom enorme gebouw. Binnen treffen we zoals verwacht aan wat we eerder ook in Porto Alegre gezien hebben; een bios, een supermarkt, een foodcourt en heel veel kledingwinkels. Is dit dan echt het enige dat we van Brazilië te zien gaan krijgen? Het is niet te hopen, maar voorlopig leggen we ons er graag even bij neer.

De rest van de dag slapen we bij op onze kamer en lopen we voor het avondeten nog even terug naar het winkelcentrum. Het is eigenlijk echt toeristisch onverantwoord om steeds maar bij een westers foodcourt te eten (we moeten natuurlijk de Braziliaanse keuken proberen), maar het eten smaakt ons zo goed en de prijzen zijn zo redelijk dat we er vandaag vrede mee kunnen sluiten. Daarnaast is het ook wel een gezellige omgeving met al die shoppende lokals om ons heen. Op straat zie je nauwelijks iemand lopen, maar in de Mall is het aardig druk en kijken en bekeken worden.

 

Vandaag de grote dag, zoals die er al meerdere zijn geweest op mijn reis. Na Machu Picchu en Perito Moreno staan we nu op het punt om mijn derde highlight te bezoeken; de Iguazu watervallen. Op de grens tussen Brazlilië en Argentinië ligt het natuurlijke hoogteverschil van 60 tot 82 meter waar per seconde gemiddels 1746 m³ water naar beneden stort (op de Niagara watervallen nà het meest ter wereld). Dit unieke schouwspel wordt dagelijks door vele toeristen bezocht, zowel vanaf de Braziliaanse kant als vanaf de Argentijnse kant, en vandaag (en overmorgen) zijn wij aan de beurt. We beginnen met de Braziliaanse kant, omdat je aan deze kant van de watervallen vooral een panoramische overview hebt en het dus een mooi begin is om kennis te maken met het spektakel. Om 09.30 uur worden we wakker en na een heerlijk ontbijtje (er was zelfs honing!) rijden we rond een uurtje of twaalf in de bus richting het zuidoosten.

De aankomst bij de entree van het park doet me (helaas) denken aan een dagje Efteling op een drukke zomerdag. Vele tientallen mensen staan in een lange zigzaggende rij te wachten tot ze hun 15 euro entreegeld mogen afdragen. Teleurgesteld maar braaf sluiten we netjes aan, welopgevoed als we zijn. Vraag me niet waarom, maar ergens had ik toch de illusie dat we vandaag tamelijk zelfstandig in de natuur zouden rondlopen en niet als een kudde achter elkaar aan zouden hoeven lopen. Het liefst zou ik omdraaien en een rustiger oord opzoeken, maar het is hier precies zoals in de supermarkt; Of je het leuk vindt of niet, je moet in de rij anders heb je niet waar je voor gekomen bent. Uiteindelijk gaat het entreren sneller dan we denken en een kwartiertje later zitten we in een overvolle engelse-stijl dubbeldekker, op weg naar de kilometers verderop gelegen watervallen. De Iguazu Falls bevinden zich in een groot reservaat waar enorm veel bijzondere dieren en planten leven. Wellicht kunnen we vandaag dus nog wat meer zien dan vallend water.

Om de mensenmassa een beetje achter ons te laten stappen we pas uit bij de laatste halte waar de bus stopt en bewaren we de halte halverwege waar je de watervallen kunt zien (en waar iedereen uitstapt) voor later. Vanaf een terras kijken we op de brede maar ondiepe rivier uit die de bovenkant van de waterval vormt. Het traag en vredig kabbelende water doet in niets vermoeden dat hier vlakbij één van de grootste watervallen ter wereld ligt. Als ik niet beter zou weten zou ik even lekker gaan zwemmen en rustig op mijn luchtbed het stroompje mee afdrijven. Toch zijn er voor de oplettende kijker aanwijzingen dat hier iets bijzonders gebeurt, want in de verte zien we niet alleen de enorme wolk waterdamp die de watervallen veroorzaken boven de waterspiegel uitstijgen, maar ook een vlonder met honderden felgekleurde toeristen. Het lijkt wel alsof er een buslading japanners verdwaald is geraakt en nu wanhopig vanaf een vergeten vlonder onze kant opkijkt, maar niets is minder waar. Later op de dag zullen we erachter komen dat het gaat om het uitkijkpunt bij Garganta del Diablo; de grootste waterval in het gebied die alleen vanaf Argentijnse zijde van dichtbij is te bekijken.

Tijdens onze zelf geimporteerde lunch, bestaande uit stokbrood met kaas, olijven, ui, tomaat en sla, zien we één van de beloofde bijzondere dieren rondwandelen die dit park rijk is. Het gaat hier om een beslurft zoogdier dat nog het meest lijkt op een kruising tussen een das en een miereneter. Ik heb het schepsel in elk geval nog nooit gezien en zou er thuis een encyclopedie op na moeten slaan om uit te vinden waar we precies naar zitten te kijken, maar het is een leuke ervaring. Wel staan er overal waarschuwingsborden die zeggen dat het dier erg agressief kan zijn wanneer het om eten gaat en dat een kras of beet een grote kans geeft op besmetting met Rabiës. Niet echt knuffeldieren dus, al denken verschillende naïeve toeristen daar heel anders over. De dieren worden door veel mensen over de rug geaaid, terwijl ze met heel andere dingen bezig zijn dan huisdiertje spelen. De plastic zakken met eten worden namelijk vakkundig vanuit het niets weggetrokken bij niets vermoedende lunchers, die vervolgens verbaasd opkijken en het dier al etend op de foto proberen te zetten. Eén vrouw maakt het helemaal bond; met haar handtas probeert ze voorover gebogen één van de beesten zo te sturen dan hij niet meer van haar af loopt en tegelijkertijd kijkt ze met een permanente gemaakte glimlach in de fotocamera van haar man. Dit soort mensen gaat volgens mij over lijken als het om vakantiekiekjes gaat, zo gedecideerd zie je ze handelen. Het is bijna om bang van te worden, alle begrip of respect voor de natuur is verdwenen en die ene lachende foto met dat rare beslurfde beest moet en zal op de schoorsteenmantel verschijnen. Mocht ik ooit zo eindigen, herinner me dan alsjeblieft aan dit verhaal en zeg dat ik ook zo ben geworden, misschien kom ik tot inkeer. We zien vandaag overigens nog veel meer prachtige dieren, zoals bijzondere vogels, een leguaan, grote vlinders, hagedissen en zelfs een wild zwijn.

We nemen de bus terug naar de halte die we eerder oversloegen en beginnen onze wandeling langs de panoramische uitzichtpunten. De eerste keer dat we de watervallen in beeld krijgen is al meteen prachtig. Van links naar rechts zien we aan de overkant van het dal over een grote breedte overal water naar beneden storten. Het is echt zo’n moment waarop iedereen even stilstaat, stil is en in zijn hoofd fluisterd; “Wow!”. Doordat het water over zo’n grote breedte naar beneden valt ontstaan er vele afzonderlijke watervallen die elk een karakteristiek valpatroon hebben. We lopen over het pad met panoramische uitzichtpunten en het is bijna onmogelijk om niet elke tien seconden een foto te maken. Elk doorkijkje naar de overkant van het dal is fantastisch en waar je ook kijkt zie je watervallen. Het resultaat is 109 watervalfoto’s die bijna allemaal even mooi zijn, en dan heb ik me echt nog ingehouden. De meest indrukwekkende watervallen zien we aan het eind van het wandelpad wanneer we arriveren bij Garganta del Diablo (de keel van de duivel). Via een verhoogd padenstelsel, dat zweeft boven het water, kijken we in een ongelooflijke watertrechter. Enorme hoeveelheden water verdwijnen in een dichte mysterieuze mist. Best bijzonder als je bedenkt dat er zeer waarschijnlijk nog nooit iemand daar beneden is geweest en dat wat er zich daar beneden af zou kunnen spelen alleen kan worden ingevuld door je fantasie (die bij mij overigens vrij groot is merk ik; potten volg Incagoud, verborgens piratenschatten en zelfs complete ondergrondse beschavingen zijn de revue al gepasseerd). Aan de doordringende donderende geluiden te horen is het in elk geval geen plek voor stervelingen, maar eerder een voor onverwoestbaar gesteente. Het is even dringen geblazen maar als je er uiteindelijk bent dan is het erg indrukwekkend om op het puntje van het laatste platform te staan. Omringd door watervallen, de één nog uitbundiger dan de ander, lijkt het dan alsof al het water uit de gehele Braziliaanse jungle tegelijkertijd naar beneden stort. Een actieve en luidruchtige omgeving van bruine rotsen, groene planten, blauwe lucht en wit water die ik nooit eerder heb gezien. Ik wist natuurlijk wel dat Iguazu Falls een hoogtepunt zou zijn op mijn reis, maar het overtreft toch wel een beetje mijn verwachtingen. De schaal en impact is van hetzelfde niveau als dat van de gletsjer Perito Moreno; erg hoog. We genieten nog zeker een half uur van alles wat we op het eindpunt zien, inclusief een paar weggewaaide hoedjes op verlaten rotsen en een zee van muntjes op de bodem van de rivier onder ons. Bij de watervallen is het nat en koel vanwege de waterdamp en de stevige wind. Je moet goed opletten dat er niks wegwaait en het is lastig om goede foto’s te maken, want al een paar seconden nadat je je camera uit je broekzak haalt zitten er waterdruppeltjes op. Toch slagen we erin om het geheel op beeld vast te leggen, al blijven de watervallen in het echt natuurlijk vele malen indrukwekkender dan op een platte geluidloze foto. Na een paar laatste foto’s vanaf een nabijgelegen uitkijktoren is het tijd om weer naar ons hostel terug te keren. We hebben een geweldig goede indruk gekregen van de pracht en omvang van de watervallen en kunnen ons moeilijk voorstellen dat de Argentijnse zijde daar nog iets aan toe kan voegen, maar dat zullen we over twee dagen pas weten. Missie Iguazu Falls is in elk geval bij deze geslaagd, echt een aanrader voor eenieder die ooit in de buurt is.

Vandaag is het helaas alweer tijd om Uruguay te verlaten. In slechts een paar dagen hebben we kennis kunnen maken met de Uruguayaanse cultuur en het Uruguayaanse landschap en dat is ons goed bevallen. Dat de mensen hier vriendelijk en behulpzaam zijn wordt bij ons vertrek deze ochtend nog eens extra bevestigd. Nadat we in alle vroegte onze tent hebben ingepakt (rond 08.00 uur, we verkeerden in de veronderstelling dat het dan nog lekker koel zou zijn buiten, nou niet dus) en met onze bagage klaarstaan om naar een telefooncel te lopen om een taxi te bellen, rijden onze buren weg in hun ruime gezinsauto en vragen ze of we niet toevallig een lift willen naar de entree van het park. Het had niet mooier gekund, nu hoeven we niet te slepen met al onze zware spullen en we worden even later zelfs als een prinselijk paar rondgeleid door de delen van het park die we nog niet gezien hebben. Het aardige jonge stel dat onze lift verzorgt vindt namelijk dat we dit park niet kunnen verlaten zonder alles gezien te hebben, ook al betekent dat dat we zeker 15 minuten extra onderweg zijn. We krijgen de andere stranden te zien dan de onze (die overigens een stuk kleiner of drukker zijn) en het fort, waar het eigenlijk allemaal om te doen is hier in het park. Erg leuk zo’n rondleiding, helemaal omdat ik toch wel een beetje nieuwsgierig was naar het fort en de hoop om het te kunnen zien eigenlijk al een beetje had opgegeven. In de auto komen we erachter dat de afstanden in het park enorm zijn en we zeker een volle dag nodig zouden hebben gehad om het fort te voet te bezoeken vanaf onze voormalige kampeerplek. Bij de entree van het nationale park zeggen we gedag tegen het aardige stel en stappen na een chipsontbijt (sorry mam, iets anders was er niet) in de bus naar Chui, een grensplaatsje in het noordoosten van Uruguay.

Na wat voelt als een kwartiertje maar uiteindelijk toch een klein uurtje blijkt te zijn, arriveren we bij een klein pleintje, exact het formaat dat je bij een dorpje als Chui verwacht. Gezellige bedrijvigheid is de juiste omschrijving voor wat we zien, maar Renee kan er nog niet echt van genieten. We zijn de bus nog niet uit of ze sprint al naar het dichtstbijzijnde toilethuisje om voor de zoveelste keer vandaag naar het toilet te gaan. Wanneer het toilethuisje nog twee keer door Renee is bezocht in de vijftien minuten die volgen vinden we het toch echt tijd om een dokter op te gaan zoeken en we gaan op pad. De tamelijk professionele eerste hulp van een kleine dokterskliniek zit wonder boven wonder op slechts twee blokken van het pleintje af en na een klein plasje in een potje en wat temperaturen wordt de door ons geopperde diagnose bevestigd; blaasontsteking. Om de blaasontsteking te lijf te gaan halen we bij een nabijgelegen farmacie voor vijf dagen pillen, toch fijn dat we hier zo dichtbij hulp hebben kunnen zoeken. Een Uruguayaanse dokterservaring rijker en honderd dollar armer vervolgen we onze weg naar het busstation, waar we horen dat we ons paspoort nog moeten laten afstempelen bij de Uruguayaanse grens. Het is hier allemaal een beetje onduidelijk in dit drukke dorpje, dat exact op de grens ligt, maar het lijkt erop dat we een flink eindje moeten gaan lopen. De ene helft van het dorp is Uruguayaans, de andere helft Braziliaans, maar de twee grensposten waar afgestempeld moet worden liggen ver buiten het dorp, de één ten noorden, de ander ten zuiden. Om Uruguay officieel te verlaten moeten we dus zo’n drie kilometer terug lopen; zoiets vreemds heb ik nog nooit meegemaakt. Wat stom dat onze buschauffeur niet even heeft kunnen stoppen bij de grenspost die we zojuist nog zijn gepasseerd. Het is knap warm tijdens de wandeling die we vervolgens maken, gelukkig hebben we onze backpacks (tegen betaling) op kunnen slaan op het busstation.

Die avond zitten we weer in het busstation, met een verse stempel in ons paspoort en een goed gevulde maag. We worden vergezeld door wat zwerfhonden, een kat, twee Nederlanders en een groep Braziliaanse meiden, die allen op weg zijn naar Florianopolis (op de dieren na dan). We hebben erover gedacht om direct door te reizen naar dat strandoord, maar vooral Renee is niet echt gecharmeerd van het idee om 15 uur in de bus te moeten zitten. Ik ben wel erger gewend, maar uiteindelijk kan ik toch vrede sluiten met de eindbestemming die we binnen 8 busuurtjes zullen bereiken; Porto Alegre. Onze nachtbus vertrekt volgens planning om 23.00 uur en gelukkig stoppen we onderweg nog even voor een tweede stempeltje in ons paspoort aan de andere kant van het dorp. Het is zo ver, de Braziliaanse stempel staat in mijn paspoort, het einde komt (helaas) in zicht.

 

Al vroeg komen we aan in Porto Alegre. Rond een uur of acht in de ochtend lopen we bebackpackt (is dat een woord?) over straat in de hoop op een goedkoop hostel dat ons vroeg op de dag laat inchecken. Hoewel de busrit best aardig was hebben we toch weer onze portie bijslaap nodig op een zacht bed (horizontaal kunnen liggen is een groot goed). Slechts een paar blokken vanaf het busstation, dat overigens vlakbij de binnenstad ligt, vinden we ons paradijsje; een tweepersoons kamer met badkamer en dat voor maar 14 euro per persoon per nacht. De lage prijs en de hoeren die om de hoek van het hotel op straat staan te tippelen neem ik voor lief, maar doen Renee een beetje huiveren. De ongelovige maar gemeende glimlach die de receptioniste ons gaf wanneer ze bij het inchecken hoorde dat we uit Nederland komen sterkt ons vermoeden dat het hier om een soort van escorthotel gaat waar nog nooit een toerist een voet over de drempel heeft gezet. Ik bewandel echter graag de ongerepte paden en daar hoort dit etablissement dus ook bij. Daarnaast krijgen we spontaan vier euro korting op onze kamerprijs, die toch al niet zo hoog is. De overige (pees)kamertjes in het hotel staan allemaal leeg en worden waarschijnlijk eerder per uur dan per dag verhuurd. Ik vind het eigenlijk wel een leuke wending in mijn reisverhaal, zo’n hoerenhotel, en gelukkig weet ik Renee ervan te overtuigen om het eens een nachtje aan te zien, op proef.

We slapen eens goed bij op onze peeskamer en rond een uurtje of twee lopen we richting het centrum van de stad om wat te gaan eten. Veel verder dan halverwege komen we niet, want de blaas van Renee gunt ons geen ommetje en een uurtje later liggen we weer op bed. We doen het anders; ik ga op zoek naar een supermarkt voor eten en Renee houdt haar schoonheidsslaapje met het toilet binnen handbereik. Na wat advies van de receptioniste, die overigens alleen maar onverstaanbaar Portugees spreekt, loop ik de straat op. Wat een enorm gemis eigenlijk, dat ik me nu niet meer in het Spaans verstaanbaar kan maken de rest van mijn reis. Iedereen hier in Brazilië spreekt Portugees, wat voor mij niet veel meer is dan een onbegrijpbare mix tussen Russisch, Spaans en Hebreeuws. Er zijn hier en daar wel wat woorden die denk te kunnen verstaan, maar net als ik denk dat ik snap waarover het gaat raak ik de draad weer kwijt. Ik besef nu pas hoe goed ik me eigenlijk kon redden in het Spaans de afgelopen maanden, die cursus is echt zeer de moeite waard geweest.

Mijn wandeling naar de supermarkt voert me langs de tippelzone die we eerder zagen, waar ik nog even met verbazing over mijn schouder kijk naar de schaars geklede dames die over de vieze afgebrokkelde stoep flaneren. Dit is voor het eerst op mijn reis dat ik prostitutie tegenkom en ze winden er hier geen doekjes om (letterlijk). Het is dat het erg warm is op straat, anders zou ik wat dekens uit gaan delen. Toch blijft het een fascinerende sector, die prostitutiewereld, het is triest en imposant tegelijkertijd om de dames zo te zien lopen. Ik moet weer even aan het boek “Ouwehoeren” denken dat ik laatst las, deze vrouwen zouden met gemak een honderdtal pagina’s kunnen vullen met hun verhalen denk ik zo. Op mijn zoektocht naar eten vind ik tenslotte een gigantisch winkelcentrum van twee verdiepingen met een bioscoop, supermarkt en foodcourt. Nog dezelfde avond neem ik Renee mee naar deze plek, want even lekker naar de bios moet toch wel lukken, zelfs met een blaasontsteking. Op onze eerste dag in Brazilië krijgen we dus de westerse kant van het land te zien, waarbij het niet veel anders is dan in Europa en Amerika; Mac Donalds, Subway en Burger King, oftewel; consumeren tot je erbij neervalt.

 

We slapen tot 09.00 uur en komen vervolgens tot de conclusie dat we vandaag een ander hotel gaan zoeken. Niet dat de naastgelegen peeskamertjes geluidsoverlast hebben bezorgd hoor, we hebben geen krakend bed kunnen horen vannacht. Nee, het ligt vooral aan andere ergernissen. Zo moest ik gisteren al eigenhandig de spoelbak van ons toilet in om die te repareren, komen we maar niet op internet met de beloofde wifi-verbinding en hebben we erg veel last van de drukke autoweg onder ons raam. Daarnaast is het flink krabben vanwege miniscule beestjes die met het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn, maar die weldegelijk bestaan. Gisteren had ik een half uurtje een stukje koek op onze televisie gelegd, dat ik vervolgens zwart van de beestjes in de prullenbak kon gooien. Geen blijvertje dus hier, al vond ik de ambiance en het verhaal achter de toko wel leuk (achter de balie van de receptie zag ik echt een grote bak met honderden condooms staan!).

Het hotel waar we even later inchecken is een stuk groter, professioneler en luxer, maar dus ook twee keer zo duur en het mist aan charme. Ach, het is maar voor één nachtje en we moeten er maar van genieten. Er volgt een lekker ontbijtje op het busstation en via internet feliciteren we per live-verbinding de vader van Renee, die vandaag 64 lentes jong wordt. Rond het middaguur is het tijd voor een tweede poging om de binnenstad van Porto Alegre te bezoeken. Ditmaal lijkt het erop dat de antibiotica zijn werk bij Renee heeft verricht en we kunnen moeiteloos de stad doorkruisen. We proberen uit alle macht onder de indruk te zijn van wat we zien, maar het lukt gewoon niet. Porto Alegre is een overvolle, drukke en vieze stad met weinig mooie groene pleinen. Op de kaart zien we wel twee grote parken, maar die liggen zo ver van het centrum af dat we er niet toe komen om erheen te gaan. Het hoogst scoren de kathedraal en het oude theater dat we bezoeken (erg aardig, al haalt dit het niet bij Montevideo, wat zijn we toch weer verwend!), maar verder moeten we het hebben van de ontzagwekkendheid van het aantal airco’s aan de gevels en de extreem dubieuze geur op de centrale markt. Uit gebrek aan fantasie besluiten we maar een potje te gaan poolen bij een klein poolcafé dat we onderweg passeren. Onze wat tegenvallende dag wordt dus toch nog een beetje goedgemaakt.

 

Na de teleurstelling van gisteren is het vandaag tijd om door te reizen. Er is niets dat ons hier in de hoofdstad van het zuiden aantrekt, dus we moeten maar weer snel verder. Het opstaan en uitchecken wordt deze ochtend begeleid door een lekker ontbijtje. Dat is dan weer het voordeel van zo’n duurder hotel; de faciliteiten zijn duidelijk beter. We laten onze tassen bij de receptie achter en doen nog één laatste poging om de schoonheid van de stad Porto alegre te ontdekken. We doorkruisen het centrum en lopen naar een groot cultureel complex in een oude omgebouwde elektriciteitscentrale. Het is leuk om de enorme ruimte binnen te ervaren en op het dak kun je aardig over de omgeving uitkijken, maar daar houdt het dan ook echt mee op. De witte kerk die we op de terugweg bij toeval passeren is indrukwekkender, dat zegt wel genoeg. Een klein beetje een teleurstelling dus hier in deze drukke, volle en vieze stad. Wel een goede introductie tot het stedelijke leven in Brazilië volgens onze reisgids, dat wordt nog leuk in Sao Paulo en Rio. Ik had geen wonderen verwacht, maar tot nu toe heeft nog niets me echt gegrepen hier in Brazilië helaas.

Om 18.30 uur vertrekt onze bus naar Foz do Iguacu, zo’n 14 uur rijden naar het noordoosten. Oorspronkelijk was het plan om via Florianopolis te gaan, maar omdat we inmiddels wat dagen zijn verloren in ons reisplan en we op internet niet echt ondersteboven waren van de foto’s die we konden vinden over dat strandoord, hebben we eieren voor ons geld gekozen en een busticket rechtsstreeks naar onze volgende bestemming geboekt. Hopelijk vinden we in Foz do Iguacu meer wat we zoeken, wat dat dan ook moge zijn (iets met meer natuur en cultuur). In elk geval hebben we net ma vertrek al onze eerste opleving. We zijn Porto Alegre nog niet uit of we rijden langs het voetbalstadion van voetbalclub Gremio, de club die in 1995 door ons eigen Ajax werd verslagen in Tokio, in de finale voor de wereldbeker. Wellicht is dit een gunstig voorteken voor wat ons de komende dagen te wachten staat.

Voordat we vandaag Montevideo alweer achter ons laten willen we nog wat rondlopen in de stad, want onze bus vertrekt pas om drie uur in de middag. Helaas is de manager van het hostel ons niet gunstig gezind, want het is volgens haar niet mogelijk om onze backpacks een paar uurtjes in het hostel te laten liggen. Een beetje flauw vinden wij, er is genoeg ruimte om even twee tassen neer te leggen, maar waar geen wil is is geen weg. Met onze backpacks zitten we op een pleintje in de schaduw van een enorme boom nog even te observeren wat er om ons heen allemaal gebeurt, maar dan gaan we toch maar richting het busstation, ook al moeten we nog zeker drie uur wachten. We komen uit bij een groot eetplein, waar meerdere fastfoodketens hongerige reizigers voorzien van een goede lunch. Er is gratis draadloos internet, dus we zijn wel even zoet; ik met mijn laptop en Renee met haar telefoon. Het klinkt een beetje suf, ben je eindelijk in Uruguay en ga je zitten internetten, maar soms heb je toch even behoefte aan lekker hersenloos surfen, helemaal als je al zo lang onderweg bent en al zoveel gezien en gedaan hebt.

De bus naar Punta del Diablo vertrekt exact volgens planning en we zitten helemaal vooraan bovenin de dubbeldekkerbus. Vier uur lang trekt het glooiende Uruguayaanse landschap aan ons voorbij, dat interessanter is dan de Argentijnse oostkust die ik eerder zag. Het hoogteverschil in het landschap is minimaal, maar het maakt alles toch een stuk levendiger. Daarbij zien we verschillende roofvogels, vele koeien en af en toe een stuk zee achter de duinen opdoemen. Een heel stuk afwisselender dan de eindeloze dorre graslanden in Argentinië dus, maar daar is ook niet veel voor nodig.

Op het busstation in Punta del Diablo stappen we uit tussen tientallen zo niet honderden jongeren; het lijkt hier Salou wel! De één is nog schaarser gekleed dan de ander en ze zijn duidelijk hier om een flink feestje aan het strand te bouwen. Tussen al het jong grut (wat word ik toch oud) lopen er ook een aantal zwerfhonden rond op zoek naar wat eten. Best triest hoe sommige dieren er hier aantoe zijn, met open wonden waar zelfs de maden in rondkruipen. Helaas kunnen we niet veel voor ze betekenen op onze doorreis, het blijft bij wat brood toewerpen en een beetje aaien.

Om 20.45 uur laten we deze bizarre plek achter ons en rijden per bus richting Nationaal Park Santa Teresa, waar we 20 minuten later al aankomen. Net als in Nationaal Park El Palmar in Argentinië, is het hier mogelijk om voor relatief weinig geld te kamperen in de bossen. De meeste mensen die hier vakantie vieren hebben echter een auto tot hun beschikking om het enorme park te doorkruisen. Wij zijn aangewezen op alternatieve vervoersmiddelen, wat vanavond neerkomt op een taxi die ons het park in rijdt. Het kost 8 euro om ons naar Playa Grande te brengen, volgens de chauffeur het rustige gedeelte van het park. Hier kunnen we kamperen in de buurt van een enorm strand, met ons tentje tussen de bomen. Tegen de tijd dat we goed en wel arriveren is het al 22.00 uur en donker. Het zoeken van een geschikte plek voor onze tent valt daardoor erg tegen, helemaal omdat het toch nog behoorlijk vol staat met andere tentjes en we niet goed weten waar de zon opkomt. Op goed geluk kiezen we een bosje uit, zetten ons veel te kleine tentje weer op en beginnen aan het blaaskwartiertje (ons luchtbed). Als dagafsluiter lopen we net voordat we naar bed gaan nog even naar het strand om te kijken waar we terecht zijn gekomen. Het is een heldere nacht en we zien veel sterren boven het enorme strand. De Melkweg is goed zichtbaar als een grote band die de hemel doorkruist. Gelukkig; het lijkt erop dat we een aardig plekje hebben gevonden voor de komende dagen.

 

Om 09.30 uur worden we door de warme ochtendzon onze tent uitgebrand en nemen we een verfrissende duik in zee. Het strand lijkt veel op wat we in Nederland gewend zijn; breed met veel zacht zand en duinen. De temperatuur van het zeewater is prima; in het begin misschien wat fris, maar als je eenmaal door bent exact de juiste verkoelende temperatuur. Daarbij is het zoute water goed voor onze huid, die na nacht 1 helemaal onder de rode bultjes zit, waarschijnlijk door mierenbeten. Een aantal dagen geleden moesten we nog lachen om een ander meisje; “wat ziet die eruit zeg!”, en nu zijn we het zelf. We luieren en ontbijten wat op het strand en in de middag probeer ik met de beperkte middelen die tot mijn beschikking staan een luifeltje te bouwen om onder te zitten bij onze tent. Het is namelijk boven de dertig graden en de middagzon brandt enorm, ik word gek van de warmte (nooit geweten dat schaduw een eerste levensbehoefte kan zijn). De tent verplaatsen we iets meer richting de bosjes, oplettend voor al die scherpe prikkelplanten op de grond die meedere malen als naalden in mijn tenen blijven hangen. Hopelijk overleeft het luchtbed deze stekelachtige omgeving, want het zou jammer zijn als we dit park moeten verlaten omdat we geen bed meer hebben. Met behulp van wat takken, touw en mijn Peruaanse poncho, krijgt de Robinson Crusoë in mij het voor elkaar om wat schaduw te creëren; wat een genot!

Aan het eind van de middag lopen we het lange strand af, op weg naar een kleine supermarkt en een restaurantje in het hart van het park. Het is bijna twee uur lopen (die afstanden op het strand zijn altijd groter dan ze lijken), maar dan komen we bij het goed onderhouden parkcentrum aan, waar we een tropische tuin, een vogelkijkhut en een paar bijzondere gebouwtjes aantreffen. Hoewel onze rust in de vogelkijkhut een beetje wordt verstoord door luidruchtige Uruguayanen, die kennelijk het concept achter dit bouwwerk niet helemaal snappen, zien we verschillende mooie vogels en carpincho’s. Het meertje waarop we uitkijken is een prachtig stukje natuur, een oase van rust. We begeven ons weer richting de bewoonde wereld en wanneer we even later boodschappen doen bij de supermarkt blijkt bij de kassa dat alleen militairen er bevoegd zijn om spullen te kopen. Santa Teresa Nationaal Park wordt gerund door militairen en blijkbaar zitten we nu op hun basis. Gelukkig is er een vriendelijk militair die ons zijn code geeft om af te rekenen en kunnen we onze rijstewafels en frisdrank toch meenemen. Het diner in het nabijgelegen restaurant is niet erg speciaal, maar onze buik is gevuld en we hebben genoeg energie voor het uur dat we terug moeten lopen naar onze tent. Het is inmiddels wel donker geworden in het park en we moeten onze zaklamp gebruiken om langsrazende auto’s te waarschuwen voor onze aanwezigheid. Na tien minuten lopen stopt er een langsrijdende auto een stukje vóór ons. Het portier van de bijrijder zwaait open en een vriendelijke Uruguayaanse jongedame vraagt ons of we misschien een lift willen naar de camping. Dat aanbod slaan we natuurlijk niet af en binnen enkele minuten leggen we de weg af naar de camping, die toch wel wat langer is dan we ons hadden voorgesteld. We hebben geluk dat de dames zo vriendelijk waren om ons op te pikken, dat is dus het verschil in mentaliteit tussen Uruguayanen en Argentijnen (in El Palmar kregen we echt geen lift aangeboden, al liepen we uren lang in de hete zon). Wanneer we bij de tent arriveren en nog snel even onze tanden gaan poetsen in het wc-huisje vóór het slapen gaan, zien we op de weg een schorpioentje lopen. Het is maar een kleintje, een centimeter of 4 lang, maar toch niet echt een prettig idee om tussen deze beesten in een tentje te slapen, vooral niet voor mijn vrouwelijke wederhelft. Hopelijk wordt dit geen herhaling van Maleisië, waar we snachts slaapdronken een schorpioen in ons bed aantroffen.

 

Dag drie beginnen we vermoeid. Vannacht hebben we slecht geslapen; Renee moest om het half uur naar de wc en ik werd daardoor steeds wakker (ik zak dan plots vijf centimeter naar beneden op ons zachte luchtbed). Of Renee een blaasontsteking heeft of iets anders weten we niet zeker, maar in elk geval is het niet goed. Gelukkig gaat het later alweer beter en kunnen we zonder verdere problemen een dagje op het strand doorbrengen. Het klussen met stokken en touwen is me wel bevallen gisteren en vandaag is het tijd voor een buitenhuisje op het strand. In de brandende middagzon ga ik aan de slag met de middelen die voorhanden zijn en een kwartiertje later staat de constructie. Dat kwartiertje blijkt zon blijkt helaas wel genoeg om te verbranden die dag, wellicht in combinatie met het onbeschermd zwemmen in zee. We slapen die dag bij op het strand onder ons afdakje, prima uit te houden met dat lekkere zeebriesje. In de avond maak ik mijn meest bijzondere sandwich ooit met spullen die we kochten bij de mini-kiosk op de camping. Stokbrood met Mais, tonijn, olijven en smeerkaas; een combinatie die ik nog nooit eerder heb geprobeerd. Het smaakt niet verkeerd, al kan ik ook niet zeggen dat dit nu een echte aanrader is. Die middag komen we overigens nog meer te weten over de aanwezige fauna in dit park; In het gras vlakbij onze tent vindt Renee een dode slang van ongeveer 50 centimeter lang. De slang lijkt pas net overleden en ik maak van de mogelijkheid gebruik om wat foto’s te maken van het reptiel. Een beetje laf dus eigenlijk, het was stoerder geweest als de slang nog leefde en ik een soort Steve Irwin kon spelen, maar het is niet anders. Op de foto’s lijkt de slang overigens nog best levend, dus wie dit verhaal niet leest zal me wellicht geloven als ik zeg dat het een levende slang was.

 

Op onze laatste volle dag in dit enorme park maken we een wandeling. Op ongeveer 30 minuten lopen van onze camping zou er een wandelpad moeten zijn in de bossen waar je een goede indruk krijgt van het oorspronkelijke bos. Door de slechte bewegwijzering vinden we na lang lopen in plaats van het wandelpad een uitkijkpunt, vanwaar we over het hele park kunnen uitkijken. Ook best mooi, maar we zijn toch echt gekomen voor het wandelpad door de jungle. Uiteindelijk kost het in tootaal zeker één uur lopen in de hete zon om het pad te vinden, wat overigens best aardig is. We zien onderweg helaas niet veel dieren, maar dat is ook niet echt gebruikelijk als je midden op de dag door de bossen wandelt. Eigenlijk moet je snachts op pad, of vroeg in de ochtend, dan heb je nog eens kans om een wild zoogdier of wat grote spinnen te spotten. We krijgen tijdens onze wandeling verschillende doorkijkjes op de glooiende omgeving en zien een aantal bijzondere palmbomen en vlinders, maar veel meer is het niet.

Eenmaal terug bij ons kamp rusten we wat uit en vertrekken daarna op onze tweede wandeling van vandaag; via het strand naar het dorpje Punta del Diablo. Op nog geen uurtje lopen, om de hoek van een landtong, ligt dit feestdorpje te wachten op een nieuwe zwoele partynight. Hier vinden we veel van de jongeren terug die we eerder op het busstation zagen, dit is het mini-Salou van Uruguay. Het is erg druk op het strand en we prijzen ons gelukkig dat we net even iets verderop slapen, tussen de bomen aan het grote lege strand. We eten wat in het dorpje, voeren een arme zwerfhond met onze etensresten, zwemmen even en keren dan weer terug naar de stilte. Na een zonsondergang vanaf het strand vallen we bijtijds in slaap, de laatste nacht in ons kleine tentje tussen de mieren, muggen, kevers, schorpioenen en slangen. Het is wel leuk zo’n avontuurtje in de bossen op zijn tijd, maar toch kijken we weer naar een degelijke hotelkamer.

De nachtbus van Salto naar Montevideo komt om 05.30 uur aan op zijn bestemming. Het wat eerder dan gepland en ik moet Renee wakker maken om op tijd de bus te verlaten. We lagen net lekker te dromen toen ineens de lichten in het gangpad aangingen. Na een haastige inpakpartij verlaten we als laatste de bus en zitten we een aantal minuten later versuft in de busterminal op een blauwe plastic stoel. Het is zo vroeg op de dag dat we een paar uur moeten wachten voordat we een kamer in een hostel kunnen krijgen. Meestal kun je pas inchecken om twaalf uur smiddags en hier in de terminal is het fijner wachten dan buiten op straat tussen de zwervers in het park. In de tussentijd koop ik alvast een busticket naar onze volgende bestemming (Punta del Diablo) en kijken we rond voor een ontbijt. Om 08.00 uur houden we het echter niet meer uit in de busterminal en begeven we ons toch maar naar de bussen die richting het centrum van de stad rijden, op goed geluk om ergens te kunnen inchecken. Het hostel waar we even later inchecken is coulant en laat ons meteen op onze kamer, dat is een meevaller. Wel even genieten hoor, zo’n tweepersoons bed na al die dagen in ons veel te kleine tentje tussen de muggen en de mieren. En voor slechts 12 euro per persoon per nacht hebben we er een eigen badkamertje en balkonnetje bij. Het hostel waarin we slapen is erg gedateerd en muffig, maar we zijn dolblij met de ruimte en voorzieningen die er zijn. Die ochtend compenseren we onze redelijk slapeloze nachtrit in de oncomfortabele bus met een flinke siësta en kopen we een stevige brunch bij de supermarkt. Uruguay is qua prijsniveau vergelijkbaar met Argentinië, misschien net iets goedkoper. De prijzen zijn hier vergelijkbaar met Nederland, misschien net iets hoger. Met een budget van 20 euro per dag houd je het hier echt niet uit, of je moet in een kartonnen doos onder een brug slapen. Wij komen eerder uit op een bedrag van 30 tot 40 euro per dag, vooral omdat de busritten behoorlijk prijzig zijn.

Na ons middagdutje bezoeken we om 16.00 uur het centrum van de stad. Het centrum van Montevideo is kleinschalig en zeer goed beloopbaar vergeleken met andere steden. We zien veel prachtige koloniale gebouwen en de sfeer op straat is rustig en goed. Dat Uruguay bekend staat als één van de meest veilige landen van Zuid-Amerika kunnen we qua gevoel zeker beamen, op een paar zwervers na is er niets dat wijst op onveilige situaties. De stad lijkt qua grootte een beetje op het centrum van Amsterdam; veel statige laagbouw en verschillende pleinen met groen en winkels. Die middag is er een gratis rondleiding in het oude theater van de stad en we zijn precies op tijd om deel te nemen. Onder Spaanse begeleiding zien we de prachtige oude zaal, echt zo’n karakteristieke ruimte die je weleens in films ziet. De rode hoefijzervormige zaal bestaat uit een centrale hellende vloer met stoelen die wordt omringd door een muur van galerijen. De vele prachtige details en muur-en plafondschilderingen maken alleen de zaal al de moeite van een bezoekje waard, en dan is er nog niet eens een voorstelling te zien. Het theater lijkt wel op een nakomeling van het Marinski Theater in Sint-Petersburg; dezelfde formule en bijna net zo prachtig, maar net iets kleiner van schaal. Aansluitend bezoeken we het mausuleum van Jose Gervasio Artigas, de landsheld van Uruguay, en zien we het gebouw dat met zijn 26 verdiepingen ooit het hoogste van Latijns-Amerika was. Een prachtig staaltje architectuur, het heeft iets weg van een wolkenkrabber, maar ook van het Eftelinghotel. We besluiten de dag aan de kade, waar de zon net onder gaat. Vanuit het centrum van de stad is het slechts een paar blokken lopen voordat je aan de waterkant staat, één van de dingen die deze stad zo aangenaam maakt. Als je vanuit de stad een zijstraatje inkijkt zie je soms in de verte het eindeloze water, een klein gevoel van bevrijding in een dichte stad. Hier aan de kade geniet eenieder van de laatste zonnestralen, wellicht na een dag lang werken. Uruguayanen die Maté drinken, honden en kinderen die op een klein strandje spelen, vissende (sport?)vissers, een vertrekkend cruiseschip in de verte en een vogel die in de branding probeert zijn avondeten bij elkaar te sprokkelen. Een mooie besluiting van de dag, ook voor ons.

 

Onze tweede dag in Montevideo ziet er een beetje uit zoals de eerste, maar dan in een wat mildere vorm. Dit keer lopen we rustiger over de groene pleinen en hebben we meer tijd om bij alle marktkraampjes stil te blijven staan. Er worden hier veel dingen verkocht op straat, zoals Maté-spullen (beker, drinktuitje, kruidenmix), stenen (Uruguay staat bekend om zijn Amethyst) en oude hebbedingetjes zoals munten. In een poging om nog wat educatiefs te ondernemen in deze stad lopen we naar een museum over het wonen in de 17e eeuw, maar dat blijkt helaas gesloten. Plan B is het nationaal historisch museum, waar we vooral schilderijen en beelden van meneer Artegas zien. Qua musea zijn we dus (nog) niet echt onder de indruk hier in Uruguay, maar het kan natuurlijk ook niet allemaal even geweldig zijn. We lopen nog richting de haven, waar we een prachtige oude markthal zien die vol zit met moderne grillrestaurants. Het ruikt niet verkeerd, maar de prijzen zijn hoog en het toeristengehalte overstijgt mijn maximum. Snel maar weer richting de kade en de binnenstad dus, waarbij we onderweg nog een kunstexpositie bekijken in speciaal daarvoor geopende statige gebouwen. Eén daarvan is een enorm bankgebouw met zuilen voor de deur waar ik 20 keer in pas. Ook binnen is het genieten; de enorme centrale hal is minstens 20 meter hoog en bijna als een grote kathedraal zo adembenemend. Grappig hoe een omsloten lege ruimte iets indrukwekkends kan geven, terwijl het eigenlijk niets is. De kunst die we zien spreekt ons niet echt aan (iets te abstract) en we laten de expositie relatief snel achter ons (als het over ruimtevaart, bouwkunde of andere wetenschap was gegaan had ik hier natuurlijk met gemak een dagje doorgebracht). We lopen terug naar het centrum en naar ons hostel, Montevideo hebben we gezien; een lekker kleinschalige maar daarom niet minder sfeervolle en gezellige stad. Een van de beste steden van Zuid-Amerika als het om karakter en gemoedelijkheid gaat vind ik (op een gedeelde plaats met La Plata). Waar die 1,3 miljoen inwoners in godsnaam wonen is ons een raadsel, maar in het centrum in elk geval niet, daar is het aangename bedrijvigheid.

Vandaag laten we Rosario achter ons en daarmee de Argentijnse steden. We steken Rio de la Plata over en rijden per bus naar Colon, een klein dorpje op de grens tussen Argentinië en Uruguay. Vanuit Colon, wat overigens best een aardig dorpje lijkt te zijn door haar gunstige ligging aan de rivier die de Argentijnse landsgrens markeert, kunnen we meteen door naar Ubajay. Ubajay ligt een uurtje rijden ten noorden van Colon en stelt voor ons niet veel méér voor dan een kleine busstop met wegrestaurant naast de snelweg. Het kost enige moeite en we moeten op verschillende plekken navraag doen in het Spaans, maar uiteindelijk is er een behulpzame winkelbediende die een taxi belt om ons naar ons eindstation te transporteren; Nationaal park El Palmar. We hebben nog even gedacht om vanaf de parkentree naar de camping in het park te gaan lopen, maar de 12 kilometer lange wandeling met volle bepakking in de warme avondzon klinkt niet echt als een lekker avondwandelingetje. Daarbij is mijn backpack op mijn reis nog nooit zo zwaar geweest als nu, waarschijnlijk door de recente toevoeging van een tweepersoons luchtbed aan mijn garderobe (ik zit denk ik zeker aan 20 kg nu). Het is maar goed dat we een taxi hebben genomen naar de camping, want de eindeloze verlaten zandweg naar de camping ziet er warm, saai en stoffig uit wanneer we er later overheen rijden.

We komen aan bij de camping waar we de komende 3 nachten zullen verblijven. Nationaal park El Palmar is één van de 72 nationale parken in Argentinië en geldt als afgelegen en niet gemakkelijk bereikbaar. Dat hebben we aan den lijve ondervonden, het kostte ons twee keer overstappen, veel tijd en 40 euro per persoon om hier te komen, maar dan heb je ook wat. Onderweg in de taxi zien we al ongelooflijk veel verschillende soorten vogels vliegen overal en zelfs een paar carpinchos/capibara’s lopen (de grootste knaagdieren ter wereld), die ik voor het laatst in de Boliviaanse jungle zag (zie dag 82). En op de enorme camping van zes hectare, waar we zelf een plekje mogen uitkiezen, zien we verschillende leguanen rondsloffen. Een paradijsje dus hier, en dat tussen alleen maar Argentijnen en andere Zuid-Amerikanen, want er zijn kennelijk weinig andere backpackers die zoveel moeite doen voor een overnachting op een camping tussen de palmbomen en de dieren. We zoeken een mooi plekje achteraan de camping tegen de bosrand en beginnen met het opzetten van het tentje dat Renee van haar vriend Robert heeft gekregen (nog bedankt voor het lenen Robert!). Al snel moeten we lachen tijdens het opzetten, niet omdat het niet lukt om de tent in elkaar te zetten, maar omdat we erachter komen dat het tentje echt veel en veel te klein is voor ons, ons luchtbed en de backpacks. De situatie is redelijk ludiek, helemaal wanneer we beginnen het luchtbed op te blazen en erachter komen dat dat er zelfs nog maar net in past. Het luchtbed wordt uiteindelijk een goede 20 centimeter dik en vult de gehele vloer (zelfs iets daarbuiten, de tent staat bol). We leggen onze backpacks binnen en er is nauwelijks ruimte over om te liggen, laat staan voor twee personen; Dat wordt een gezellig nachtje! Als twee chocoladerepen in hun precies passende verpakking brengen we de nacht door, zwetend tegen het tentdoek en de backpacks aan; dit moeten we morgen echt anders gaan doen want anders houden we het geen drie nachten vol hier. In de avond zien we vanuit de tent een prachtig heldere sterrenhemel en horen we in het donker rare knaagdieren met elkaar vechten. In het licht van mijn zaklamp lijken ze wel een mix tussen enorme ratten en dassen, maar het blijken in elk geval redelijk tamme en ongevaarlijke knaagdieren te zijn.

 

Het was een redelijk slapeloze nacht die eerste, maar op dag twee leggen we onze backpacks buiten onder een boom, ingewikkeld in mijn poncho en beveiligd met mijn stalen snoer aan een boom. Nu de backpacks uit de tent zijn is het net te doen, al hebben we nog wel wat moeite met de waardevolle spullen en het eten op ons bedje, maar die willen we niet graag buiten neerleggen. Daarnaast is het erg warm overdag en duurt het tot diep in de nacht voordat onze tent een aangename temperatuur heeft bereikt. Onze eerste kampeersessie is dus niet ideaal, maar het gaat. We lopen vandaag een stukje door het bos en komen uiteindelijk bij een klein strandje uit. Net als het dorpje Colon grenzen ook dit park en onze camping aan de rivier die Argentinië van Uruguay scheidt en dus kunnen we aan de overkant het land zien liggen dat we over een paar dagen zullen gaan bezoeken. Het strandje aan de rivier is van fijn geel zand en we zwemmen een klein kwartiertje in de bruine rivier, lekker verfrissend op zo’n warme dag. We lopen terug. Naast veel vogels en insecten zien we tijdens onze wandeling door de bossen ook de resten van wat ooit een steenoven was. Er zijn vele sporen van beschaving hier in het park, sporen die uit verschillende tijdperken komen, zelfs van enkele honderden jaren geleden. Best interessant, al is alle informatie in het Spaans en kunnen we er helaas niet veel van maken. Toch wel raar dat hier zo’n groot nationaal park ligt waar je als backpacker moeilijk kunt komen en niemand Engels spreekt of leest. Wellicht een aandachtspuntje voor de toekomst, backpackers zullen het hier best leuk vinden denk ik. De rest van de dag kijken we een beetje rond in het bezoekerscentrum en op de camping. In de avond een potje kaarten waarbij we nog wat enorme kikkers (of padden?) zien rondspringen. Maatje “groter dan je vuist”, misschien het best vergelijkbaar met het formaat van een grote grapefruit. In elk geval de grootste amfibiën die ik ooit heb gezien, dat is zeker. Gelukkig is er genoeg eten voor ze, want de camping zit vol met vliegen, muggen en andere insecten die zich doodvliegen tegen de warme lampen. De kikkers weten er wel raad mee.

 

Op onze tweede dag in El Palmar is het tijd voor een lange wandeling. Er zijn verschillende uitzichtpunten in het park waar je meer kunt zien van de grote hoeveelheid palmbomen waar het park zijn bestaansrecht aan verdient dan in de buurt van onze camping. De vele honderden palmbomen die El Palmar rijk is zijn het restje van een veel groter gebied dat hier ooit begroeid was met deze bijzondere bomen. Gelukkig is er nog een flink stuk bewaard gebleven, samen met bijbehorende flora en fauna. We lopen naar het meest westelijke uitzichtpunt in het park waar als het goed is de hoogste palmbomen staan. Een wandelingetje van maar liefst 10 kilometer (enkele reis), maar je moet er natuurlijk wel iets voor over hebben om ze te zien. Al snel komen we erachter dat we niet alleen de enige Europeanen in het park zijn, maar ook de enige reizigers zonder auto. In dit park ontbreekt het aan lange natuurlijke bospaden, al het verkeer gaat via de grote zandweg waarover we gekomen zijn. Belachelijk veel verkeer is er niet, maar die ene auto per 5 minuten is toch genoeg om je een beetje aan te ergeren. We hadden gehoopt onderweg wat wildlife te kunnen spotten, maar die vogels en knaagdieren bedenken zich wel twee keer voordat ze in de buurt van een autoweg komen. Toch zien we op onze lange wandeling in de hete middagzon nog wel wat opzienbarende beesten, met als hoogtepunt een wandelende tak die de weg oversteekt (knap gespot door Renee, ik ging er bijna op staan).

Wanneer we na een lange en redelijk slopende wandeling bij het uitkijkpunt aankomen zien we waar we voor gekomen zijn; grote hoge palmbomen. We lopen een klein rondje in de bossen en rusten uit op een bankje. De omgeving is hier anders dan in de buurt van de camping, dus het is de moeite van het lopen wel waard geweest, maar stiekem hadden we er toch wat meer van verwacht. Gewoon iets meer paden door de rimboe, iets meer dieren en planten en iets minder passerende auto’s met luie Zuid-Amerikanen. We hebben overigens ook geen enkele keer een lift aangeboden gekregen en dat terwijl we het toch zichtbaar heet hadden en het duidelijk was waarnaar we op weg waren langs de lange doodlopende weg. De enigen die stopten waren een Parkranger en een taxichauffeur, respectievelijk om te vragen of alles goed was en om geld te verdienen. Jammer dat er niet eens gewoon iemand stopt en vraagt hoe het ermee gaat en of je mee wilt rijden. Maar goed, uiteindelijk hebben we ook onze duim niet omhoog gestoken, dus wellicht mag je dan ook niks verwachten, het viel me gewoon op.

De wandeling terug is lang en warm en we merken dat we aan het verbranden zijn (ook al loop ik de hele weg in de schaduw van mijn paraplu). We zijn dan ook erg blij wanneer de zon even achter de wolken verdwijnt en we in de schaduw verder kunnen lopen. Onderweg spotten we nog een aantal papegaaien, paarden, capibara’s en een vogelsnelweg. Dat laatste is echt bijzonder, honderden duiven vliegen van links naar rechts en van rechts naar links over onze hoofden heen. Waar ze vandaan komen en waar ze naartoe gaan is ons niet duidelijk, maar het ziet er grappig en zinvol uit zo druk als ze het hebben. Wellicht is het tijd om nesten te bouwen en worden de bouwmaterialen aangevoerd, of hebben de jongen honger en is er ergens een vrachtwagen met besjes gekanteld, we weten het niet. Eenmaal terug op de camping genieten we van een welverdiend ijsje en observeren we de andere campingbewoners. Er zijn veel kinderen van de Argentijnse scouting, een man met een trekharmonica en een gezin dat aan het BBQ-en is. BBQ-en is hier trouwens volkssport nummer 1 (op voetbal na dan), overal op de camping staan stenen grilpunten waarop je een vuurtje mag maken. Helaas eet Renee geen vlees en hebben we niks op voorraad, anders had ik ook wel even meegedaan.

 

We verlaten El Palmar alweer en delen onze taxi richting Ubajay met twee Argentijnse dames die toevallig dezelfde kant op moeten. De aansluiting richting Concordia is perfect en nog geen uur later zitten we in het grensplaatsje 60 kilometer ten noorden van El Palmar. Van hieruit steken we de grens over naar Uruguay, maar helaas vertrekt de volgende bus pas om 18.00 uur en is het 13.15 uur wanneer we aankomen. Eigenlijk had ik gehoopt dat we in Salto (Uruguay) naar de termale baden konden gaan waarom het plaatsje bekend staat, maar aangezien we erg laat aankomen zit dat er vandaag waarschijnlijk niet meer in. In plaats daarvan liggen we buiten op het gras bij het busstation in Concordia te wachten op de bus die ons de grens over zal rijden, de laatste keer dat ik Argentinië verlaat. Vijf uur lijkt lang, maar toch gaat de tijd redelijk snel en voodat we het weten stappen we de bus in. Tijdens onze laatste minuten in Argentinië hebben we al onze pesos uitgegeven aan sandwiches en we stappen zonder geld de bus in. Het is maar te hopen dat we het totaan een Uruguayaanse pinautomaat halen. Op de grens moeten we allemaal uit de bus voor onze welverdiende stempeltjes en de bus en alle bijbehorende hoeken en gaten worden grondig gecontroleerd door een douanehond. Kennelijk is drugstransport hier een issue, de controle duurt in elk geval zeker 15 minuten. Uiteindelijk is de hond uitgesnuffeld, blijkt het dat iedereen braaf is geweest en rijden we weer een nieuw land binnen op mijn reis; Uruguay.

Om 20.15 uur komen we aan op het busstation in Salto. Hier in Uruguay is het een uurtje later dan in Argentinië en dus moeten we snel op zoek naar een slaapplaats. Na veel wikken en wegen besluiten we om toch maar meteen door te reizen naar Montevideo met de nachtbus van 24.00 uur. Het was leuk geweest om even de bekende termen bij Salto met een bezoekje te vereren, maar Renee is verbrand door de zon en kan waarschijnlijk niet echt genieten van het hete water. Daarnaast is het redelijk wat gedoe om bij de termen te komen en is het nog maar de vraag of we er een betaalbare slaapplaats gaan vinden. Ook winnen we weer een dagje tijd wanneer we meteen doorreizen naar de hoofdstad, geen onaantrekkelijke gedachte. Voordat we nachtbus instappen smullen we nog wel even van een uitgebreide maaltijd. We eten heerlijk Arabisch brood gevuld met groente (voor Renee) en kip (voor mij). Als toetje kiezen we voor een “stukje” lemon pie en een “stukje” cheesecake wat neerkomt op twee keer een kwart taart van 4 euro per stuk, echt een (suiker)maaltijd op zich, We hebben dus meteen kennis gemaakt met de Uruguayaanse keuken, waarbij volgens mijn reisgids toetjes en Westerse invloeden een grote rol spelen. Tot nu toe bevalt Uruguay ons prima, het busstation in Salto is erg modern en het eten voortreffelijk. Als we deze trend de komende week door kunnen zetten zou dit landje wel eens een aangename verrassing op mijn reis kunnen worden.

Het nieuwe jaar begint met een bezoekje aan de tandarts. In mijn verstandskies zit al enkele weken een groot gat en het tandvlees in mijn kaak begint steeds meer pijn te doen. Omdat Ezequiel me heeft verteld dat de gezondheidszorg hier in Argentinië van een veel beter niveau is dan die in Uruguay en Brazilië, ga ik vandaag langs bij een spoedkliniek om naar de tand te laten kijken. Gelukkig zijn ze vandaag (op nieuwjaarsdag) open en rond 11 uur kijkt er een tandarts met een spiegeltje in mijn mond. Hij heeft ongeveer drie seconden nodig om te concluderen dat mijn tand er zo snel mogelijk uit moet. Dat had ik zelf ook al bedacht, maar ergens diep in mij leefde er nog de hoop dat ik het met een tijdelijke vulling tot aan Nederland uit zou kunnen houden. Maar helaas, de tand moet dus getrokken worden en dat kan niet in de spoedkliniek, want die is alleen maar uitgerust voor diagnostisch onderzoek. De goedlachse tandarts, die met alle macht probeert gebrekkig Engels te spreken, nodigt me uit voor een ochtendje kiestrekken in zijn praktijk op donderdag. Uiteindelijk kan ik de afspraak verplaatsen naar woensdag, want elke dag die de tand er eerder uit is is meegenomen. Ik zal namelijk zeker twee volle dagen moeten herstellen hier in Rosario, waardoor mijn reisschema sowieso al aardig in de war komt, en dus wil ik zo snel mogelijk geholpen worden.

De volgende dag loop ik samen met Renee naar het adres dat de tandarts voor me op een briefje heeft geschreven. Het is een appartement op de eerste verdieping van een klein flatgebouw midden in een drukke winkelstraat. Ik zou voor geen euro gewed hebben dat hier een tandarts zijn praktijk heeft, maar er hangt warempel een klein vervallen plaatje bij het huisnummer waarop zijn naam staat. We bellen aan maar er doet niemand open, wellicht zijn we wat aan de vroege kant. We wachten even, bellen nog een keer aan, en merken dan dat de deur al de hele tijd open stond. Eenmaal in de gang valt de deur achter ons dicht en is die niet meer van binnen open te krijgen, we zitten dus min of meer gevangen in de tandartsflat. Op de eerste etage waar het appartement van de tandarts is staan er geen huisnummer bij de deuren en we krijgen nergens een teken van leven. Het ziet er allemaal een beetje schraal uit, dus we hopen maar dat we niet voor niks gekomen zijn. Wat dat betreft heeft mijn tandarts in Nederland het wel iets beter geregeld met zijn praktijk (en villa met bijbehorende Jaguar voor de deur). Maar na een minuut of tien verbaasd op een neer lopen tussen begane grond en eerste verdieping, verschijnt daar ineen de tandarts die we gisteren in de praktijk ontmoet hebben. Hij draagt normale kleren en wanneer hij ons ziet vertelt hij glimlachend dat hij even ergens heeft ontbeten. We betreden zijn appartement en zien een ouderwetse praktijk met allerlei primitief ogende hulpmiddelen. Een beetje zoals het verjaarde scheikundelokaal op mijn middelbare school van tien jaar geleden, het lijkt in niets op de standaard die we tegenwoordig in Nederland gewend zijn. Er wordt een stuk klassieke muziek opgezet en met uitzicht op het met algen beslagen aquarium (dat hoognodig schoongemaakt dient te worden) neem ik plaats in de stoel. Niet alleen de dubieuze omgeving maar ook de taalbarrière tussen ons en de tandarts maken dat ik me toch niet helemaal op mijn gemak voel. Wanneer de drie spuiten in mijn kaak worden gezet krijg ik het even een beetje benauwd (zweten en misselijkheid), maar de man weet zichtbaar waar hij mee bezig is en ik mag even liggen en krijg een watje met alcohol onder mijn neus. Hij maakt voortdurend grappen naar Renee, die een beetje angstig toekijkt vanaf een bureaustoel achter mijn hoofd. Het is een hele vriendelijk man die tandarts en aan zijn handelen te merken heeft hij heel veel ervaring, maar toch ben ik er pas echt gerust op wanneer de kies er helemaal uit is. Gelukkig is alles wat hij gebruikt wel steriel en gaat het na het aanbrengen van de verdovingsvloeistof snel. Het is een kwestie van even flink snijden en dan met een soort tang die kies eruit wrikken. “Dutch teeth are very strong!”, zegt de tandarts, wanneer hij voor een tweede keer moet snijden nadat de eerste wrikpoging is mislukt. Ondertussen zet hij nog een nummertje op van Ennio Morricone, óf in een wanhopige poging om me gerust te stellen óf omdat hij gewoon graag naar die muziek luistert op de woensdagochtend. Uiteindelijk is de tand eruit en kan ik zonder hechtingen weer de straat op. Ik krijg nog een aantal goede adviezen in het Spanglish en de tandarts vertelt ons dat we eigenlijk best speciale gasten voor hem zijn. Vandaag wilde hij eigenlijk het graf bezoeken van zijn twee overleden kinderen, die ongeveer 140 kilometer verderop begraven liggen. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen om mij te helpen en het bezoek uit te stellen, wellicht omdat ik nu de leeftijd ben die zijn zoon had kunnen hebben als die nog geleefd had. Het geeft ons bezoek aan de tandarts een bijna emotioneel einde. Ik heb eigenlijk een beetje medelijden met de aardige en goedlachse tandarts die het erg goed met ons voor heeft, maar ergens heb ik ook wel het idee dat het mooi was dat hij mij op zijn vrije dag heeft kunnen helpen. Ik geef hem een extra hartelijke handdruk en armkneepje wanneer we de flat verlaten; bedankt tandarts!

De rest van de dag, en overigens ook de volgende dag, doen we het heel rustig aan. Ik mag niet te veel in de zon (die buiten fel brandt) en wanneer ik veel loop krijg ik pijn in mijn kies. Onze kamer met airco biedt uitkomst! Het is even afzien, want we zitten hier nu al 5 dagen in een kamertje zonder enige vorm van daglicht, maar het is wel de perfecte locatie om bij te komen. Af en toe verlaten we ons nest om een stukje in de stad te wandelen of boodschappen te doen. We vinden Rosario niet echt heel spetterend, er is niet zo heel veel te doen en echt bijzondere gebouwen of pleinen zien we ook niet. Het is op enkele plekken in de stad wel mooi en groen, maar niet op een manier die we nog niet eerder hebben ervaren (tja, we zijn nu eenmaal in La Plata geweest…). We gaan nog een keertje naar de bioscoop en maken een busritje naar het busstation, maar daar houdt het dan ook mee op. Ik moet overigens twee dagen lang alles door een rietje eten/drinken en dat is wel even wennen. Gelukkig is er een goede supermarkt in de buurt en hebben we een fijne keuken tot onze beschikking. Toch best ingrijpend als je ineens niet meer kunt eten, het gezegde is maar al te waar: je weet pas wat je mist als je het niet meer hebt/kunt. Dat is misschien wel een goede spreuk om 2013 mee te beginnen!

Een nieuwe dag in La Plata, een dag waarop we weer veel te zien krijgen. Eigenlijk zouden we alweer doorreizen naar Rosario vandaag, maar dat zou te gehaast voelen, omdat er erg veel te doen en te zien is hier in deze aangename stad. Daarnaast hebben we een prima en voordelig onderkomen bij onze vriend, die het ook leuk vindt dat wij er zijn. Vandaag bezoeken we Republica de los Ninos; een soort themapark dat halverwege de 20e eeuw is begonnen als een educatief liefdadigheidsproject, opgezet door niemand minder dan Evita. Republica de los Ninos is begonnen als een afgeschermde plek waar (wees)kinderen een tijd konden verblijven om te leren over de maatschappij. Het park is een weerspiegeling van de maatschappij, maar dan gerund door kinderen. Er is een brandweerkazerne, politiebureau, ziekenhuis, treinstation, tankstation, regeringsgebouw, stadhuis en ga zo maar door, allemaal bezet door kinderen die dus elk hun eigen functie hebben binnen het park. Alle gebouwen zijn vormgegeven op een manier die aantrekkelijk is voor kinderen, met torentjes, poorten en kantelen. En zo leefden hier dus 60 jaar geleden tientallen kinderen, die met elkaar een eigen republiek vormden. Op die manier konden ze leren wat er nodig is om een samenleving draaiende te houden en welke verantwoordelijkheden daarbij horen. Ik had er nog nooit van gehoord, maar het idee is eigen best briljant. Het is leuk om rond te lopen in het park, dat vandaag de dag alleen nog maar gebruikt wordt als een soort Disneyland met kermisattracties. Overal zie je kleurrijke kasteeltjes en tempels en de deurtjes en stoeltjes zijn allemaal gemaakt in kinderformaat. Er is ook een haventje met een mini-stoomboot, een rechtszaaltje en een mini-vliegveldje (niet in werking helaas). Later hoor ik het gerucht dat Walt Disney hier net na de opening is komen kijken en inspiratie heeft opgedaan voor zijn bekende pretparken. Of het waar is weet ik niet, feit is dat dit park werd geopend op 26 november 1951 en het eerste Disneypark pas op 17 juli 1955 en de gelijkenissen zijn groot. Het park is overigens wel toe aan een opknapbeurt, want wanneer we een ritje in de mini-stoomboot willen maken slaat net voor vertrek de motor af en moeten we de boot weer verlaten. Ook de gebouwen zijn niet meer wat ze gweest zijn; dakpannen liggen los en schilderwerk moet worden gedaan. Maar met een entree van slechts 10 pesos (1,70 euro) valt er ook niet veel te onderhouden. Een leuk stukje geschiedenis dus hier, maar wel jammer dat het park zijn oorspronkelijke functie een beetje heeft verloren.

Per trein keren we terug naar La Plata. Het blijft ongelooflijk dat hier een ritje van 20 minuten slechts 1 peso kost (15 eurocent). De treinstellen zijn wel redelijk vervallen en vies, maar wat wil je ook voor zo weinig geld. We eten met z’n drieën een halve kilo overheerlijk schepijs in het centrum en wandelen nog wat langs bijzondere gebouwen. Daarna keren we huiswaarts om ons klaar te maken voor de BBQ van die avond. Ezequiel was vergeten dat hij een etentje heeft met een stel collega’s van zijn opleiding (geneeskunde) en neemt ons mee als gasten. Erg leuk, want niet veel later zitten we aan tafel met verschillende studenten geneeskunde en de gastvrouw; het hoofd van een afdeling die zich specialiseert in oncologie. Het wordt een gezellige avond met interessante gesprekken. Zo praat ik lange tijd met de twee dochters van de gastvrouw (14 en 16 jaar oud) die erg goed engels spreken en via internet veel over de wereld weten. Ik hoor ook dat wanneer je als meisje in Argentinië 15 jaar oud wordt, dat je dan als cadeau mag kiezen tussen een reisje naar Disneyworld (Florida, USA) of een groot feest thuis. Een bijzondere keus vind ik, daar heb ik in Nederland nog nooit van gehoord. De meeste meisjes kiezen voor Disneyworld, wat ik later terugzie op foto’s bij een reisbureau, waarop tientallen Argentijnse tienermeisjes voor het bekende kasteel zitten. Het wordt een latertje die avond, rond een uurtje of 04.00 rijden we pas weer naar huis. Het was een boeiende dag en we hebben weer genoeg meegemaakt om een nachtje over te kunnen dromen.

 

Onze tijd in La Plata zit er alweer op; vandaag gaan we per bus naar Rosario. Omdat Ezequiel weer teruggaat naar San Nicolas en dat op onze route ligt, stappen we met z’n drieën in de bus. Onderweg drinken we nog wat Maté en vertellen Ezequiel en ik elkaar nog wat leuke grappen terwijl Renee haar schoonheidsslaapje houdt. Ik heb de afgelopen dagen veel geleerd over de Argentijnse cultuur en het (studenten)leven in La Plata. Het is erg leuk om zo ongelimiteerd vragen te kunnen stellen aan iemand en overal antwoord op te krijgen. Rond 20.00 uur komen we aan in San Nicolas en nemen we in de bus afscheid van onze vriend. Ik zeg hem dat hij altijd welkom is in Nederland, dus mocht hij ooit in de buurt zijn dan moet hij het zeker even laten weten. Hopelijk komt het er ooit van, het lijkt me leuk om hem een stukje Nederlandse cultuur mee te geven. Van buiten de bus zwaait Ezequiel ons met zijn vrienden uit, we lijken wel Sinterklaas en zijn pietermannen.

Nog geen half uur nadat we San Nicolas hebben verlaten zien we een prachtige zonsondergang. Zo eentje die je nog nooit eerder gezien hebt en die je met geen mogelijkheid op de foto krijgt zoals je hem werkelijk ervaart. Het lijkt wel een afscheidscadeautje van Ezequiel, een afscheidscadeautje zoals ik dat ook van mijn vader kreeg in Ushuaia. Om 21.30 uur komen we aan in Rosario en nemen we de bus naar ons hostel. Inchecken, douchen en naar bed!

 

Het is vandaag de laatste dag van 2012! We slapen uit en doen op ons gemak boodschappen. Omdat ik al een aantal weken een gat in mijn tand heb lopen we langs een tandartsenpraktijk, maar die is helaas niet open dus besluit ik te wachten tot na de feestdagen. Omdat we geen zin hebben om iets te gaan ondernemen vandaag luieren we lekker een beetje op onze kamer en koken we op ons gemak eten. We hebben al aan meerdere mensen gevraagd of, en zo ja waar, er iets te doen is vanavond tijdens de jaarwisseling, maar veel verder dan een bekend park komen we niet. Om 23.00 uur lopen we daarom met champagne, druiven en toastjes onder onze arm richting het bekende park. Het is een wandeling door een schimmige en compleet verlaten winkelstraat, niet echt gezellig. Het lijkt wel of we helemaal alleen zijn hier in deze stad, nergens een auto of stervende ziel te bekennen. Dat is trouwens niet helemaal waar, want we worden de gehele weg achtervolgd door een zwerfhond en moeten moeite doen om niet op de vele honderden kakkerlakken te gaan staan die we onderweg over de grond zien kruipen. Een rare oudejaaravond, ik heb ze gezelliger meegemaakt. We lopen tot aan het park, maar wanneer we erachter komen dat er echt niemand is en alles pikdonker is, lopen we maar weer snel terug naar ons hostel. Het is niet gezellig op straat en het voelt onveilig; De enige bewegende objecten zijn nu nog de zwerfhonden en wat zwervers die we zien rondzwalken. Dit jaar maar oud en nieuw vieren op het balkonnetje van ons hostel, daar is het tenminste veilig. We hebben het uiteindelijk best gezellig samen met de champagne, de druiven, de toastjes, het kaarslicht (dat steeds uitwaait) en radio 2 op de achtergrond, de internetklok telt voor ons af op fullscreen. Om middernacht proosten we op het nieuwe jaar en in de verte zien we wat siervuurwerk. Dat het jaar 2013, ondanks het gebrek aan mensen om ons heen op deze ietwat vreemde avond, toch maar een mooi en gezellig jaar mag worden. Volgend jaar weer lekker in Nederland vieren, of in New York op Times Square misschien…

We worden wakker in de woonkamer van het appartement van Ezequiel, die we voor de gelegenheid hebben omgetoverd tot slaapkamer. We hadden er eigenlijk op gerekend om deze dagen ons luchtbed te testen, maar onze vriend heeft twee matrassen beschikbaar gesteld en we hebben voortreffelijk geslapen. Ons ontbijt bestaat uit geroosterd stokbrood met chocoladepasta en pindakaas, met als toetje drop en pepernoten. Voor Ezequiel is het even wennen, al die nieuwe gebruiken, maar hij vindt de meeste Hollandse zoetigheid gelukkig wel lekker.

Het zal wellicht een of ander virus zijn dat ik gaandeweg heb opgelopen, maar overal waar ik kom zie ik natuurhistorische musea, begraafplaatsen, dierentuinen en planetaria. Ook hier in La Plata is het weer raak. Vlakbij ons slaapadres vinden we in een groot park drie van die vier activiteiten (helaas Rob, geen begraafplaats dit keer). We bezoeken in de ochtend het natuurhistorisch museum, want volgens Ezequiel is dat toch wel echt één van de belangrijkste in Zuid-Amerika. Of dat werkelijk zo is weet ik niet, maar het is in elk geval een zeer indrukwekkend museum met een enorme collectie (ik kan gewoon geen genoeg krijgen van die wetenschappelijke musea). De enorm statige buitenkant en de ontelbare skeletten die we binnen zien maken dit tot een memorabel bezoekje, het natuurhistorisch museum in Buenos Aires is in elk geval overtroffen. We zien onder andere skeletten van zeeschildpadden, dino’s, uitgestorven roofdieren en gigantische walvissen. Alle tekst is in het Spaans en dat is misschien maar goed ook, anders was ik hier de rest van de dag wel zoet geweest. We lezen niet veel maar gelukkig hebben we onze privé-gids meegenomen die bij alles wat we zien wel iets te vertellen heeft. Ezequiel heeft enorm veel moeite gedaan om ons rond te leiden hier in het museum en in La Plata. Hij is vanuit San Nicolas (5 uur rijden verderop) naar La Plata gekomen om ons te ontvangen in zijn appartement, want hij heeft eigenlijk vakantie en hoeft hier dus niet te zijn. Hij vertelt ons dat hij gisteren het een en ander aan informatie heeft opgezocht op internet om ons iets te kunnen vertellen over dit museum en de stad. Mocht hij ooit naar Nederland komen dan zal ik zeker een paar dagen vrij nemen om hem hetzelfde terug te geven als wat wij hier nu krijgen, wat een geweldige kennismaking met deze stad.

Onze middag brengen we door in het grote park vlakbij de dierentuin. Het is heerlijk weer en we liggen lekker een beetje op het gras te luieren. Wat een wereld van verschil met Buenos Aires, waar het toch wel een heel stuk hectischer is dan hier. Het is een verademing om in deze stille zee van groen in het gras te liggen, met een lekker zomers zonnetje (30 graden Celcius). Wanneer we zijn uitgerust vervolgen we met onze privé-gids de rondleiding door de stad. Bij elk gebouw krijgen we uitleg en overal zit een mooi verhaal achter. Wie de plattegrond van La Plata voor zich heeft, ziet dat deze stad heel duidelijk volgens een bepaald ontwerp is gebouwd. In hoeverre daar een rede achter zit wordt niet helemaal duidelijk, maar mogelijk heeft de vrijmetselarij een grote invloed gehad bij het ontstaan van deze stad. Het boek van Dan Brown over een verborgen schat in La Plata moet nog verschijnen, maar tijdens ons bezoek horen we al genoeg aanleidingen om een verhaal mee te beginnen. Enkele gebouwen zouden met elkaar zijn verbonden door pas recent ontdekte tunnels. Daarnaast is er in het midden van het centrale plein een grote steen waaronder belangrijke informatie ligt over de stad en we zien op meerdere plekken in de stad oblisken staan. Meneer Brown, als u dit leest; ik verwacht uw boek eind 2013.

Zoals echte locals drinken we tegen het vallen van de avond Maté in het park. Maté is een soort thee die zo, zonder zakje, in een speciaal kopje wordt gestopt. Vervolgens kom er heet water overheen en steekt men er een metalen “rietje” in waarmee het water opgezogen wordt. Een soort theedrinken voor gevorderden dus, een zeer bekend verschijnsel hier in Argentinië. De Argentijnen drinken Maté de hele dag door; een dag zonder Maté is een dag niet geleefd! Ter afsluiting van de dag maken we thuis bij Ezequiel empanada’s; deeg gevuld met vlees, kaas en/of groente. Het maken van de empanada’s is leuk, maar ook redelijk arbeidsintensief en voordat we de eerste empanada uit de oven kunnen halen is het alweer 01.00 uur ‘s-nachts. Onder het genot van een rood wijntje smaken de empanada’s voortreffelijk, ik zal in Nederland ook een proberen of ik ze kan maken; het recept staat genoteerd!

Na 155 dagen is het moment dan eindelijk daar, vandaag haal ik Renee op van het vliegveld hier in Buenos Aires. De afgelopen dagen was het tropisch warm (36 graden Celcius), maar vannacht is het hard gaan onweren. Wanneer ik om 05.15 uur over straat naar de bushalte loop regent het pijpenstelen en mijn paraplu heb ik hard nodig. In het donker stap ik een half uurtje later doorweekt de bus in, dit is nu al de meest bijzondere eerste kerstdag ooit.

Een busrit van twee uur later kom ik rond 07.30 uur aan bij het vliegveld. Renee landt om 08.10 uur en dus moet ik 40 minuten wachten. De aankomsthal is niet groot en er staan ongeveer 50 lotgenoten om me heen die nauwlettend de schuifdeur in de gaten houden waardoor zo nu en dan een stewardess naar buiten komt. Pas om 08.50 uur zie ik Renee met haar karretje lopen. Het is toch wel grappig om haar zo ineens te zien hier na al die maanden. Echt emotioneel is ons weerzien overigens niet, Renee is een beetje ziek en erg moe van de lange vlucht en wil het liefst zo snel mogelijk naar bed. We eten even een tosti op de luchthaven en nemen dan de bus terug naar het centrum, weer een ritje van twee uur.

In de privékamer die ik voor ons geregeld heb liggen we de rest van de dag op bed. Renee heeft een beetje koorts en geen energie om de stad in te gaan. Ik heb al redelijk wat gezien de afgelopen dagen en hoef ook niet zo nodig de hort op. Tegen een uur of 18.00 nuttigen we ons kerstdiner op bed, wat bestaat uit een groentesoepje, wat soepstengels en pepernoten. De winkels zijn vandaag dicht en ik ben blij dat Renee nieuwe voorraden heeft meegebracht vanuit Nederland. Mijn sinterklaasfeest vier ik dit jaar dus wat later, op eerste kerstdag met een zak pepernoten in een hostel in Buenos Aires. In de avond ga ik nog even een blokje om, want heel de dag binnen zitten is toch wel erg frustrerend. Renee slaapt lekker bij terwijl ik in een kerk om de hoek plaatsneem voor de avondmis. Ik had geen idee dat er iets te doen zou zijn hier in de kerk (en dat er uberhaupt een kerk is), maar toen ik langs liep zag ik mensen naar binnen lopen en die ben ik gevolgd. Het resultaat is een mooi stukje kerkzang, uiteraard in de vorm van kerstliederen, uitgevoerd door een groot koor. Een mooie verrassing dus zo op de valreep, toch nog een beetje een kerstgevoel.

 

Op onze enige volle dag in Buenos Aires bezoeken we kerkhof Recoleta, de begraafplaats waar Evita ligt. In de loop van de ochtend stappen we in een redelijk volle metrowagon, druk maar niet drukker dan normaal. Vlak voordat we bij het kerkhof uitstappen word ik onderweg naar de deur omsingeld door rare jongeren. Ze zeggen of doen verder niet veel, maar draaien een beetje onnatuurlijk om me heen en kijken alsof ze niet helemaal 100% zijn. Ik stop mijn hand in de zak waar mijn camera zit zodat die niet gestolen kan worden en kijk een beetje schuw om me heen. Er gebeurt verder niets, maar wanneer we uitstappen duwt een jongen me tegen mijn schouder en kijk ik boos om. Wat een rare gasten, gelukkig heb ik mijn camera nog en is er verder niets gebeurd.

We bezoeken het kerkhof en weer zie ik de bekende pracht aan graven, de één nog mooi dan de ander. Dit kerkhof is een stuk beter bijgehouden dan het kerkhof dat ik eergisteren bezocht en er zijn veel meer toeristen. Het duurt niet lang voordat we het graf van Evita vinden, de vrouw van voormalig legerleider en president Juan Peron. Aan de hoeveelheid bloemen en toeristen bij het graf te zien is ze nog steeds populair en geliefd hier in Argentinië. Ik vind het graf overigens wel vrij donker en somber, vanwege het gebrek aan openingen en licht is er binnen in het graf niet veel te zien. We vermaken ons nog een tijdje op het kerkhof en verbazen ons over de creatieve tombes die we tegenkomen.

Om onze middag te vullen lopen we na het bezoek aan het kerkhof richting een groot park. Wanneer ik onderweg in een klein winkeltje mijn Metropasje wil opladen kom ik erachter dat het geld dat ik in mijn zak had gestopt er niet meer in zit. De ongeveer 250 pesos (ongeveer 40 euro) zijn als sneeuw voor de zon verdwenen en dat terwijl de zak waarin ik de briefjes had gestopt met klittebband dichtzit. Ik moet meteen denken aan de jongeren in de metro, ik ben gewoon bestolen zonder dat ik het in de gaten had. Ze moeten tijdens het uitstappen met wat duw-en trekwerk vakkundig het klitteband los hebben gemaakt (zonder geluid te maken!) en het geld eruit hebben gepakt. Daarnaast is het een zakje van mijn broek dat er niet echt uitziet alsof er geld in zit, helemaal niet omdat ik bewust geen portomonnee bij me had maar alleen een paar losse briefjes. Zo zie je maar weer hoe gehaaid die mannetjes zijn, ik wens ze alle ziektes toe die er bestaan. De ironie van het verhaal is dat ik nog wel het muntgeld in mijn zak heb zitten, dat was kennelijk te lastig en risicovol om te jatten. Omdat ik onderweg nog één peso op straat had gevonden hebben we nu 3 pesos (50 eurocent), precies geenoeg om twee bananen te kopen. We lopen terug naar ons hostel om geld te halen; Een heel eind zo zonder metro. Om onze dag toch nog een beetje goed te maken eten we een lekker stuk pizza en gaan we in de avond naar The Hobbit 3D. Een bioscoopkaartje kost hier maar 28 pesos (4,50 euro) dus dat is weer een meevaller.

 

We vertrekken vandaag naar La Plata, maar niet voordat we de wijk La Boca hebben gezien. Over ons bezoek aan de wijk kan ik redelijk kort zijn; We hebben het voetbalstadion van de Boca Juniors van buiten gezien (een belangrijke voetbalclub in Argentinië), maar verder viel het een beetje tegen. Hoofdattractie van de wijk is El Caminito, een wandelstraatje met gekleurde huizen. Op verschillende plekken wordt de Tango gedanst en kun je met poppen van voetballers op de foto, maar omdat we er struikelen over de toeristen vinden we het niet echt de moeite waard. We vertrekken dus maar snel naar La Plata, een kleinere stad 60 kilometer ten oosten van Buenos Aires, waar een vriend van me woont. Bij hem zullen we de komende dagen eten en slapen dus we zijn erg benieuwd.

We hebben enige moeite met het vinden van de bus naar La Plata (de haltes blijken niet allemaal in gebruik), maar uiteindelijk komen we rond 17.00 uur aan in La Plata. Vanaf het busstation lopen we met onze backpacks naar het huis van Ezequiel, een sympathieke jongen die ik samen met Jeroen in Mendoza heb leren kennen. Hij heeft zich aangeboden als gastheer en voordat we het weten lopen we samen met hem in het grote park in de buurt van zijn appartement. We krijgen een mooie eerste rondleiding door het stadje, waarbij we de dierentuin zien (van buiten), de sterrenwacht zien (van buiten) en de universiteit zien waar hij studeert (van binnen). Echt geweldig dat hij speciaal voor ons tijd vrij heeft gemaakt. Ook de komende dagen zullen we door Ezequiel rondgeleid worden in La Plata en omgeving, dus dat belooft wat.

Renee hangt nu ergens boven de Atlantische Oceaan in de lucht en landt over een uurtje of tien op het vliegveld hier in Buenos Aires. Op dat moment begint voor mij de laatste etappe van mijn reis, het stuk dat ik samen met Renee naar Brazilië zal reizen. Je zou het niet denken, maar ook nu is er weer een planning van hoe onze reis er globaal uit gaat zien.

Dag Datum   Land Van Naar Activiteit
155 25/12/12   ARG Buenos Aires   Renne landt
156 26/12/12   ARG Buenos Aires   Stadstour
157 27/12/12   ARG Buenos Aires La Plata 2 uur bus
158 28/12/12   ARG La Plata   Stadstour
159 29/12/12   ARG La Plata Rosario 8 uur bus
160 30/12/12   ARG Rosario    
161 31/12/12   ARG Rosario   Nieuwjaar
162 01/01/13   ARG Rosario parana 4 uur bus
163 02/01/13   ARG parana NP El palmar 5 uur bus
164 03/01/13   ARG NP El palmar   Kamperen
165 04/01/13   ARG NP El palmar   Kamperen
166 05/01/13   ARG NP El palmar Colonia 8 uur bus
167 06/01/13   URU Colonia Montevideo 3 uur bus
168 07/01/13   URU Montevideo    
169 08/01/13   URU Montevideo Maldonado 3 uur bus
170 09/01/13   URU Maldonado    
171 10/01/13   URU Maldonado Pnt. del diablo 3 uur bus
172 11/01/13   URU Pnt. del diablo    
173 12/01/13   URU Pnt. del diablo    
174 13/01/13   URU Pnt. del diablo Pelotas 5 uur bus
175 14/01/13   BRA Pelotas Porta Alegre 4 uur bus
176 15/01/13   BRA Porta Alegre    
177 16/01/13   BRA Porta Alegre Florianapolis 7 uur bus
178 17/01/13   BRA Florianapolis   Strand
179 18/01/13   BRA Florianapolis   Strand
180 19/01/13   BRA Florianapolis   Strand
181 20/01/13   BRA Florianapolis Foz do Iguacu 14 uur bus
182 21/01/13   BRA Foz do Iguacu    
183 22/01/13   BRA Foz do Iguacu   Iguazu falls
184 23/01/13   PAR Foz do Iguacu   Itaipo Dam
185 24/01/13   BRA Foz do Iguacu Campo grande 14 uur bus
186 25/01/13   BRA Campo grande    
187 26/01/13   BRA Campo grande Bonito 5 uur bus
188 27/01/13   BRA Bonito   Snorkelen
189 28/01/13   BRA Bonito   Snorkelen
190 29/01/13   BRA Bonito   Jungletrip
191 30/01/13   BRA Bonito Campo Grande 5 uur bus
192 31/01/13   BRA Campo Grande Sao Paulo 14 uur bus
193 01/02/13   BRA Sao Paulo   Stadstour
194 02/02/13   BRA Sao Paulo   Pretpark
195 03/02/13   BRA Sao Paulo Isla Grande 8 uur bus
196 04/02/13   BRA Isla Grande   Strand
197 05/02/13   BRA Isla Grande   Strand
198 06/02/13   BRA Isla Grande   Strand
199 07/02/13   BRA Isla Grande   Strand
200 08/02/13   BRA Isla Grande Rio de Janeiro 3 uur bus
201 09/02/13   BRA Rio de Janeiro   Carnaval!
202 10/02/13   BRA Rio de Janeiro   Carnaval!
203 11/02/13   BRA Rio de Janeiro   Carnaval!
204 12/02/13   BRA Rio de Janeiro   Rio
205 13/02/13   BRA Rio de Janeiro   Rio
206 14/02/13   BRA Rio de Janeiro   Rio
207 15/02/13   BRA Rio de Janeiro Parijs Vliegen
208 16/02/13   BEL Parijs Brussel Midi Trein

Met de beperkte middelen die ik hier tot mijn beschikking heb, heb ik het volgende kaartje van onze route kunnen fabriceren;

RouteRenee

Tot zo ver dus onze route, hopelijk bereiken we Rio volgens planning en komen we op 16 februari weer veilig aan in een koud Brussel.

En daar gaan we weer, na één dagje opleving is er alweer sprake van een nieuwe reisdip. Nergens echt zin in, geen toeristische attracties meer, geen beroemde gebouwen bekijken, geen foto’s maken om alles vast te leggen voor het nageslacht, geen gesprekjes meer met medereizigers; “Waar kom je vandaan? Waar ben je geweest? Was het daar leuk? Wat moet ik daar echt zien? Heb je ook Facebook?”. Nee! Rust, zitten en niks doen, uitslapen, het Nederlandse nieuws volgen via internet, skypen met Renee, een roman lezen, pokeren op mijn laptop, alles wat maar niet met reizen te maken heeft. En dat in Buenos Aires, die ene keer dat ik er ben, het is bijna om te lachen. Maar ik voel me er goed bij, ik heb er behoefte aan, dus het is goed. Gelukkig voor jullie zijn er ook activiteiten die zich in het tussengebied bevinden, waar je niet echt reist, maar toch iets interessants meemaakt, waarbij je niet veel hoeft te doen. Activiteiten waar ik wel zin in heb, want alleen maar binnen hangen en niks doen is ook om gek van te worden. De dierentuin, het natuurhistorisch museum en het grootste kerkhof van Argentinië zijn de hoofdactiviteiten tijdens mijn vijf laatste dagen alleen in Zuid-amerika. Wanneer Renee hier landt ben ik er hopelijk klaar voor om de laatste 53 dagen van mijn reis intens te kunnen genieten, alsof ik net als zij zo uit het koude Nederland ben ingevlogen.

De dierentuin stamt uit het jaar 1880 en dat is te zien aan de prachtige statige gebouwen en kooien die ik zie. Met enorme sierlijke traliewerken zijn de hoge kooien op zichzelf al een lust voor het oog. Helaas zitten veel dieren nu in een modern onderkomen waardoor de prachtige oudbouw functieloos leeg staat. De dierentuin is mooi en redelijk groot, vrijwel alle dieren die je kunt verzinnen zijn aanwezig. Hoogtepunten en tegelijkertijd dieptepunten zijn de Bengaalse tijger, de ijsbeer en de orangutan; zeldzame dieren die allen zielig en alleentjes in hun verblijf op en neer lopen. Het is om triest van te worden, maar tegelijkertijd speciaal om zulke bijzondere dieren zo dichtbij te zien. Ik vind wel dat zulke beesten altijd een maatje moeten hebben en zo niet, dan moeten ze maar naar een andere dierentuin waar ze die wel hebben. Het is alsof het lot ermee speelt, maar ook een eenzame aap in déze dierentuin komt naar me toe gelopen en drukt zijn gezicht tegen het glas aan waar ik zit. Er is verder niemand in de buurt, we hebben ons momentje met zijn tweëen. Van die waterige kraaloogjes van een orangutan die je zo hulpvragend aanstaren, dat is voor de meest stoere Hells Angel nog wel een moment om een traantje weg te pinken. Zo heeft de natuur het echt niet bedoeld, zo’n beest alleen achter een glasplaat! Gelukkig zijn er ook positieve momenten; de zeehonden zijn erg leuk om te zien en hebben het wèl zichtbaar naar hun zin. Voor 2,5 euro is het mogelijk om vijf visjes te kopen en die te voeren aan de hongerige bedelaars. De zeven beesten springen en zwemmen kwijlend over elkaar heen om in aanmerking te komen voor een felbegeerd visje, iets dat zowel zeehonden als toeschouwers zichtbaar plezier geeft. Andere noemenswaardigheden zijn een indrukwekkende leeuw, pirana’s en de knaagdieren die overal in het park rondlopen. Ze huppelen gewoon wat in het rond en je mag ze voeren waar en wanneer je maar wilt. De kinderen vinden het in elk geval prachtig. Ik ben blij dat ik even naar de dierentuin gegaan ben, maar het niet echt veel beter of anders dan het aanbod in Nederland.

En dan het natuurhistorisch museum. Tja, wat kan ik daarover zeggen… Een interessante verzameling schelpen vooral. De schelpencollectie heeft exemplaren die ik nog nooit eerder heb gezien, met sierlijke en uiterst breekbare tentakels aan schelpen, waarvan ik me afvraag hoe ze in godsnaam in volmaakte toestand in het museum terecht zijn gekomen. Toch een wonderlijke wereld daar op de bodem van de zee, een wereld waar we eigenlijk nog maar zo weinig vanaf weten. De rest is niet echt vernieuwend, maar wel goed opgezet. Een groot gedeelte gaat over dino’s en er is veel aandacht voor skeletten van walvissen, wat toch wel indrukwekkend is. Alleen al de schedel van zo’n monster van meer dan 20 meter lang is zo groot dat hij niet in mijn studentenkamer zou passen.

Het natuurhistorisch museum bevindt zich in een buitenwijk en er is een rommelmarkt die dag. Na mijn museumbezoek loop ik over de rommelmarkt en het voelt alsof ik in Nederland ben. Alle kraampjes bieden dezelfde troep aan als die je in de Brabanthallen tegenkomt op zo’n zonnige zondag. Spullen die eigenlijk best handig zijn als je ze in een kraampje ziet liggen, maar die als je ze eenmaal in huis hebt nooit of te nimmer meer aanraakt. In het park eet ik een superpancho, dat zoveel wil zeggen als een grote hotdog overgoten met saus en frietchips. Het is aangename bedrijvigheid in het park net als op koninginnedag in het vondelpark in Amsterdam, maar dan met een iets aangenamere temperatuur. Wanneer ik wegloop komt er nog een of andere zwerver op me af om me een hand te geven. Dat gebeurt hier in de stad wel vaker trouwens, dat er ineens iemand op je afstapt voor geld of iets anders. Dan negeer ik diegene kei hard en loop snel weg, want dat zijn de momenten dat je overvallen of ergens ingeluisd wordt denk ik. Het heeft een voordeel dat ik kan doen alsof ik geen Spaans spreek. Engels kunnen die zwervers toch niet en dan kan ik zonder op-of omkijken doorlopen. Ik hoorde laatst een verhaal van een Australisch meisje in de metro, die zogenaamd per ongeluk werd ondergespoten met mayonaise en bij het schoonmaken door de dader en zijn handlangers werd bestolen. Een bizar verhaal, zoiets wil je niet meemaken. Het blijft dus oppassen hier, maar je moet ook een beetje geluk hebben en slim zijn. Gelukkig voelt het nog altijd een stuk veiliger dan Quito, daar liepen pas echt ongure types rond.

Op mijn laatste dag alleen in Zuid-Amerika (als het goed is tenminste) bezoek ik het grootste kerkhof van Argentinië. Ik heb inmiddels al behoorlijk wat kerkhoven gehad, maar toch heb ik het idee dat ik hier geweest moet zijn. Alleen al op de plattegrond die ik van de stad heb ziet de begraafplaats er zo groot uit dat het wel indrukwekkend móet zijn om er rond te lopen. Ik neem metrolijn B en stap uit bij het eenvoorlaatste station. Ik kom boven in een obscure buitenwijk, zoeen waar je allerlei vreemde mensen op straat ziet rondkuieren, zonder enig doel in hun looppatronen. Er zijn in geen velden of wegen toeristen te bekennen, ik zal dus een beetje op mijn hoede moeten zijn; dit zijn die buurten waar je ineens de verkeerde tegen kunt komen. Ik betreed de begraafplaats via een enorme entree met zuilen. Dat belooft wat! In het rijk der doden zie ik ontelbare graven die er stuk voor stuk statig maar vervallen uitzien. Het is echt bizar hoeveel deze begraafplaats op de begraafplaats in Parijs lijkt die ik twee jaar geleden bezocht. De vele dodenhuisjes staan netjes in grote blokken waartussen verschillende paadjes en straten lopen. Omdat er niet veel mensen zijn op de enorme begraafplaats besluit ik om op de hoofdweg te blijven en niet te gaan dwalen tussen de graven. Mocht je dan ineens een rare kwast met een mes tegenkomen dan kun je dag zeggen tegen je camera, en dan mag je nog blij zijn als het daarbij blijft. Ik loop verder over de hoofdweg en kom aan het einde uit bij wat lijkt op een groot open grasveld. Enigszins teleurgesteld wil ik omdraaien, maar dan zie ik een aantal mensen lopen en besluit ik toch maar even een foto te gaan maken van het groene hart van de begraafplaats. Niet veel stappen later kom ik erachter dat het maar goed is dat ik even doorgelopen ben. Onder de grond, tot twee enorme verdiepingen diep onder het maaiveld, zie ik een hoeveelheid graven waar je u tegen zegt. Ik heb al veel opstellingen en flatconstructies gezien op begraafplaatsen, maar dit overtreft echt alles. Hier moeten wel duizenden mensen begraven liggen, zo niet nog meer. Op internet lees ik later dat de begraafplaats stamt uit 1897 en zijn bestaan voornamelijk dankt aan een uitbraak van gele koorts. Bestaande begraafplaatsen konden het aantal doden gewoonweg niet aan en dus werd er een geheel nieuw dodenrijk gemaakt. Later werd hier ook president Juan Peron begraven, maar zijn resten zijn inmiddels verplaatst naar zijn voormalige woonplaats San Vicente (geen idee waar dat ligt). Ik loop terug naar de hoofdingang via een paar voor mij nieuwe straatjes en zie veel opengebroken en vervallen graven. Dit is niet echt een gezellige plek om alleen rond te lopen, vooral omdat er niemand is en je totaal niet weet wie je tegen kunt komen. Stel je voor dat het ook nog eens donker is, volle maan of zo, dat moet wel de ultieme horror-avond zijn. Ik bewonder de oude houten grafkisten die ik overal kan zien liggen. Wat bijzonder dat ik zo dicht bij al die doodskisten kan komen. Je kunt bij wijze van spreken gewoon een graf binnengaan en even een kist open maken, al is het alleen al uit nieuwsgierigheid. Net voordat ik de begraafplaats verlaat kom ik nog even een stukje Rome tegen. Toch leuk dat Italië ook is vertegenwoordigd hier in Buenos aires.

Ik reis terug naar mijn hostel, krijg in de metro nog een aantal jongleer-en muziekacts te zien en te horen en eet mijn diner op deze warme kerstavond bij het enige restaurant in de stad dat nog open lijkt te zijn; Pizzaria El Rey. Heerlijke pizzapunten voor nog geen anderhalve euro per stuk, dit is genieten. Een ijskoude fanta ernaast en je hoort mij niet meer klagen. Het is trouwens echt bloedheet vandaag, met 36 graden Celcius de heetste dag op mijn reis tot nu toe (iets met mussen en daken enzo). Het zweet druipt langs mijn lichaam en alleen al voor het ijskoude binnenklimaat bij de pizzaria zou ik de 4,5 euro over hebben gehad die ik uiteindelijk voor mijn eten kwijt ben. Tot slot, als besluit van mijn solo-reis door Zuid-Amerika, loop ik in de avondhitte naar de obelisk, het centrale punt van Buenos Aires en een mooie eindmarkering voor mijn reis alleen. Vanaf morgen begint de laatste etappe met Renee, ik ben benieuwd!

Dit verhaal begint met een bijzondere ontmoeting tussen mij en Enrique Galileo, een Argentijnse man die voor zijn plezier foto’s maakt op de boulevard in Mar del Plata. Ik ontmoet hem op mijn wandeling naar het busstation, waarbij ik even een stukje omloop om nog snel even een foto te maken van de bekende in steen gevormde zeeleeuwen bij het casino. In de vijf minuten dat ik Enrique tegenkom en weer gedag zeg, heeft hij me overtuigd van het feit dat hij cultuurfotograaf is en heeft hij me samen met het beeld op de gevoelige plaat vastgelegd voor zijn fotocollectie. Later kan ik mijn foto’s op zijn Facebook-pagina terugvinden en verrek, ze staan er! (zie http://www.facebook.com/galileoenrique/photos_stream, ver naar beneden scrollen) Een grappige ontmoeting dus, met een man die er toch wel een interessante hobby op na houdt.

De busrit naar Buenos Aires is erg saai en het begint pas spannend te worden wanneer ik na aankomst vanuit het busstation de metrohalte probeer te vinden. Het is een enorme drukte hier op straat in het hart van Buenos Aires, wat me voor het eerst weer licht doet terugdenken aan Bolivia, Peru en Ecuador. Overal primitieve vieze kraampjes en mensen die eetwaar aanbieden, gelukkig, het kan dus wel hier in Argentinië. Na veel zoeken en op en neer lopen word ik aangesproken door een aardige mevrouw uit Engeland en ze legt me uit waar de metrohalte is. Ze scheurt zelfs een kaartje van het metrostelsel uit haar reisboekje, zodat ik het met me mee kan nemen. Wat een aardige mevrouw! Ik had zo’n kaartje natuurlijk ook al in mijn eigen reisgids zitten, maar omdat het allemaal al gebeurt is voordat ik er erg in heb bedank ik haar maar hartelijk voor de geboden hulp. Het is vervolgens niet moeilijk om mijn hostel te vinden, die wereldsteden werken ook eigenlijk allemaal hetzelfde. De metro is een ideaal systeem; voor slechts 40 eurocent kun je zo lang onder de grond blijven als je wilt en word je overal naartoe gebracht. Zeven blokken vanaf mijn hostel zie ik het daglicht weer en loop ik over de grote hoofdweg in de stad. Ik zie gebouwen van Parijse hoogte en met Parijse allure, maar ook met veel invloeden uit the USA. De grote hoofdweg is zeer ruim opgezet en heeft veel groen, wat een aangename sfeer oproept.

Mijn hostel is ongeveer zo bedroevend als ik me voor had gesteld. Al mijn accomodaties in Argentinië tot nu toe kostten zo rond de 12 euro per nacht en hier betaal ik 6,50 euro. Het kan dus bijna niet anders dan dat ik in de hel terecht kom. Het hostel adverteert met “backpackers paradise”, maar daar hebben ze dan toch een heel ander beeld van dan ik. Ik lig op een kamer met 11 anderen, we slapen in stapelbedden van drie hoog. Ik ben als kind weleens uit een stapelbed gevallen en ik was bond en blauw, maar als je hier uit het bovenste bed valt mag je blij zijn als je nog leeft. Daarnaast ligt de grond bezaaid met kleren (mam, mijn kamer was echt nooit zo erg hoor, je zou eens moeten weten) en er hangt een zure penetrante lucht van zweetvoeten. Op vijf van de twaalf bedden liggen mensen snurkend te slapen, en ja, het is inderdaad 16.00 uur, midden op de dag dus. Niet echt een lekkere thuiskomer, helemaal niet na een bezoekje aan de enige badkamer die het complex rijk is. Ik heb even wat telwerk verricht en ben erachter gekomen dat er 34 mensen in het hostel kunnen slapen, waarvan er slechts twee gelukkigen een eigen badkamer op hun kamer hebben. De overige 32 personen delen dus met zijn allen één vieze badkamer (met douche en toilet) en één heel vies toilet, meer smaken zijn er niet. Je kunt je voorstellen dat het echt een ranzige bende wordt met zoveel mensen en slechts één hokje. De prullenbak met bepoept toiletpapier zit standaard zo vol dat alles op de grond valt. Die grond is overigens permanent drijfnat, dus het toiletpapier wordt een lekkere zompige witbruine massa. Er wordt sporadisch doorgetrokken, dus zo nu en dan liggen er nog wat geelbruine resten in het water. En de wastafel zit altijd vol met haren, groot en klein. Backpackers paradise dus, dat mag duidelijk zijn. Gelukkig zijn de medewerkers van het hostel erg aardig en is de “woonkamer” in orde. En na dag één is er zelfs internet, dus er zijn zeker ook positieve dingen te melden. Maar ik ben dus eigenlijk weer echt “thuis”, terug bij de standaard die ik gewend was in Peru; jippie!

 

Op mijn tweede dag in Buenos Aires ga ik op een eerste echte verkenning uit. Mijn wandeling voert door Parijse straten naar het presidentiële paleis, een groot roze gebouw. Wellicht een Argentijnse tegenhanger van het witte huis, wat een grapjassen die Zuid-Amerikanen. Vanaf het roze huis zie ik in de verte drie grote scheepsmasten en die moet ik natuurlijk van dichterbij bekijken. Mijn vader vroeg al of ik een driemaster had gezien in Mar del Plata en ik wil hem natuurlijk geen tweede keer teleurstellen. Het is nog een hele klus om het schip te bereiken en onderweg loop ik op volle snelheid met mijn voet tegen een stuk vervallen stoep aan. Even denk ik dat mijn teen gebroken is zo hard ging het, maar het blijft bij even 10 minuten bijkomen van de pijn en weer dapper verder over het slagveld dat Buenos Aires heet.

De driemaster blijkt in een gerenoveerd stuk haven te liggen, een stuk haven dat een nieuwe bestemming heeft gekregen als recreatie-en kantoorgebied. Leuk hoe oud en nieuw hier samen gaan. Het is wat opgepoetst allemaal, maar het werkt wel, er hangt sfeer. Dan kom ik ook nog bij een bijzondere brug die me doet denken aan de werken van de spaanse architect Calatrava; een grote spierwitte overspanning die bijna als een harp boven het water zweeft. Later blijkt het werk ook daadwerkelijk van Calatrava te zijn, toch grappig dat je als ontwerper een soort van herkenbare handtekening kunt ontwikkelen. In de haven kom ik ook nog bij een plein met een Hollands tintje. Hier hebben ze een kunstwerk gewijd aan de koningin van Nederland. Ik weet niet of het beeldje echt moet lijken op Trixie of dat het iets anders betekent, maar in elk geval leuk dat hier een stukje Nederland is.

Mijn rondwandeling gaat verder en eenmaal terug in de drukke straten verbaas ik me over de vele westerse invloeden hier. Ik zie gebouwen die zo in New York hadden kunnen staan, of in Washington, of in Chicago. En de straten doen erg Parijs’ aan, het is eigenlijk één grote mengelmoes van invloeden. De metro brengt me naar het parkgebied, waar alles er keurig verzorgd bij ligt. Prachtige gazonnetjes, bloeiende rozen en decoratieve elementen in overvloed. Ik krijg ook nog een klein doorkijkje naar de oude dierentuin, die kan ik de komende dagen ook nog wel eens gaan bezoeken. Mijn parktocht eindigt bij het planetarium, waar ik een kaartje koop voor de middagvoorstelling. We krijgen in drie kwartier tijd veel informatie over de sterren en het ontstaan van het heelal, allemaal in het Spaans natuurlijk. Op de binnenkant van een grote koepel worden de sterren geprojecteerd alsof je buiten in het park staat, het is prachtig hoe de mens in staat is om zo exact na te bootsen wat we buiten kunnen waarnemen. De voorstelling is zo indrukwekkend dat er zelfs geklapt wordt aan het einde, dat maak je in Nederland niet vaak mee.

Samenvattend: mijn dag begon bij een roze paleis en eindigt hier onder de sterrenhemel om 17.00 uur smiddags. Ik kan het dus weer; veel dingen doen, foto’s maken en genieten van al het nieuwe dat ik zie. De grote reset heeft gewerkt!

Of er echt sprake is van een writersblok weet ik niet, misschien komt het door de vele dingen die ik gezien en gedaan heb de afgelopen maanden, maar de behoefte om dingen mee te maken en daarover verhalen te schrijven is even helemaal verdwenen. Wellicht is dit één van de dingen die ook bij een lange reis horen, het moment waarop je even niet meer kunt, even teveel gereisd hebt. Gelukkig ben ik in Mar del Plata en kan ik lekker zinloos op het strand gaan zitten en voor me uit staren, verstand op nul en mensen kijken. Het waait overigens erg hard op het strand, wie in slaap valt wordt half begraven in het zand wakker. Het is trouwens sowieso niet aan te raden om te gaan liggen, want dat betekent zand in je mond, ogen en oren, van achter en van voren (daar is het liedje weer!). En de zee is ijskoud, wel lekker als het warm is, maar toch ook wel even het gevoel alsof je mannelijkheid is verdwenen. Of gewoon een beetje in het hostel hangen, iets dat ik ook meer dag één dag heb gedaan. Even binnen zitten, achter mijn laptop, of gewoon op bed liggen. En niks zinnigs doen, dus gewoon een beetje pokeren in plaats van blogjes schrijven. Het klinkt behoorlijk kansloos en dat is het ook. Ik ben eraan toe om me hersenloos te vervelen. Er zijn natuurlijk nog wel wat momenten dat ik dingen bekijk in Mar del Plata, maar dat zijn dan vooral dingen die niet echt toeristisch zijn en puur om even wat buitenlucht op te snuiven. Zo zit ik vaak bij het skatepark, waar jongeren flink tekeer gaan op hun skatebord (ik maak zelfs een tournooi met honderden toesschouwers en prijzengeld mee). Of ik ga een tijd in het park zitten, mensen observeren en van de zon genieten. Ik neem mijn fotocamera niet eens meer mee op deze dagen, ik heb het fotograferen ook echt even helemaal gezien.

Eén ogenblik is er dan toch ineens weer even die aandrang om erop uit te gaan, een klein momentje van zwakte in mijn reset-proces. Ergens knaagde het gewoon, ik móest wel naar die toeristische pier toe, die pier waar je de zeeleeuwen kunt zien die symbool staan voor deze kuststad. Een kolonie van honderden dieren die op een grote zandbank langs de grote rotsen ligt, luierend en soms vechtend met elkaar. En wat een enorme stank komt er toch van die dieren af! Het is echt een lucht van verrotte poep, maar dan nog zuurder. Gelukkig is het best aardig om de zeeleeuwen van zo dichtbij te zien (en te horen!), anders had ik het de wandeling van meer dan 3 uur niet waard gevonden. Natuurlijk was ik weer te trots en krenterig om een bus te nemen en ik wilde ook wat van de omgeving zien. Ik kom langs een vervallen en verlaten circustent, waar vlak in de buurt kleine kinderen verbazend goede jongleer-acts tonen voor wachtende automobilisten bij een stoplicht. En ik kom langs een grote golfbaan, waar ik een GPS-gestuurde golftas op wielen zie. Ik had dat al een keer in Nederland gezien, maar weer sta ik met verbazing en enige plaatsvervangende schaamte te kijken hoe de betreffende golfer met zijn tas over de baan loopt. Demonstratief twee meter erachter om te laten zien hoe leuk zijn gadget wel niet is en wanneer het karretje om de een of andere rede plots van koers wijzigt struikelt de man er bijna over. Ik kom niet meer bij, maar het is toch krankzinnig! In de haven kom ik naast zeeleeuwen trouwens ook nog een aantal flinke boten tegen die half verroest en vergaan op hun zijkant in het water liggen. Half herroverd door moeder natuur, maar nog hangend aan een “zijden” draadje van een grote kraan, in een laatste poging ze recht te trekken of in elk geval niet te laten zinken. Het is een haven zoals een haven hoort te zijn; vies, rommelig, lawaaierig en obscuur. Kranen die hun werk verrichten, grote vrachtwagens die af en aan rijden en veel vissersboten die er overigens roerloos bij liggen.

Op mijn terugtocht naar het centrum verbaas ik me nog even over de grote leegstand in alle enorme flats die ik passeer. Niet dat er niemand woont, maar de rolluiken zijn omlaag en de bewoners verblijven kennelijk ergens anders (of iedereen ligt midden op de dag te slapen, maar dat lijkt me niet echt plausibel). Wat jammer eigenlijk dat er niet gewoon een systeem bestaat waarin ik in zo’n appartement zou kunnen overnachten voor een tientje. Ik zou de boel prima schoon achter kunnen laten zodat de eigenaar er niets van zou hoeven te merken. Maar helaas, je kunt tegenwoordig niemand zomaar meer vertrouwen en mij dus ook niet, dus moet ik weer terug naar mijn dormroom. Morgen naar Buenos Aires, kijken of ik daar weer opgeladen ben om wat dingen te bekijken.

In de dubbeldekkerbus naar Mar del Plata zit ik voorin bij het raam, met de chauffeur één verdieping onder me. Als een koning zie ik de weg prachtig onder me door schieten. We rijden op een provinciale weg waar iedereen 90 tot 100 kilometer per uur gaat, dus ik houd soms wel even mijn adem in wanneer we een tegemoedkomende vrachtwagen passeren. Een stuurfoutje is zo gemaakt en voordat je het weet heb je het tijdelijke voor het eeuwige verruild, helemaal hier voorin de bus. Er wordt hier en daar ook ingehaald op onoverzichtelijke stukken, waarbij mijn buurvrouw telkens een krampachtige zucht slaakt. Het landschap waardoor we rijden is vlak, open en bestaat voornamelijk uit graanland. Zoals ik in Groningen heb gezien, zie ik ook hier de grote machines de akkers leeghalen, het lijkt erg op Nederland. Zelfs de harde wind is aanwezig, die zorgt ervoor dat de bus zo nu en dan ineens een meter naar links gaat rijden, met een zuchtende buurvrouw als gevolg.

We komen rond 20.00 uur veilig aan in Mar del Plata, na een busrit van ongeveer zeven uur. Mar del Plata is de grootste badplaats van Argentinië, een beetje zoals Scheveningen, maar dan met wel meer dan 600.000 inwoners. Al sinds 1886, toen na de aanleg van de spoorverbinding met Buenos Aires de eerste upper-class hier arriveerde om hun vrij tijd door te brengen aan de kust, is er sprake van toerisme. Nu, 126 jaar later, loop ik hier, in de voetsporen van de Argentijnse welgestelden van weleer. Omdat Mar del Plata een heel stuk groter is dan Bahia Blanca, is het ook een heel stuk verder lopen vanaf het busstation naar mijn hostel. Hoewel de afstand op de kaart slechts een klein lijkt vergeleken met de stad als geheel, loop ik toch zeker één uur voordat ik bij mijn hostel aankom. Ik ben eraan gewend inmiddels, maar met volle bepakking kost het toch nog enige moeite. Het is al aan het schemeren in de straten van Mar del Plata en ik zie vooral enorme appartementencomplexen overal. Er zijn veel mensen op straat en de winkels zijn open, dus het ziet er wel erg levendig uit. Ik passeer op mijn route verschillende parken waar mensen op het gras zitten of kinderen rondjes draaien in een draaimolen. Een gemoedelijk sfeertje dus, geen straf om hier een paar dagen te verblijven. Ik check-in bij mijn hostel en maak op mijn slaapkamer kennis met een Frans meisje uit Nice dat al 3 jaar aan het reizen is. Een typisch gevalletje van: WOW!!! Het meisje (waarvan ik de naam niet eens weet) is net vier dagen in Zuid-Amerika en spreekt geen woord Spaans. Dat gaat nog leuk worden voor haar de komende tijd. Hopelijk kan ze op haar weg toch nog wat woordjes oppikken anders ziet het eruit.

Om mijn honger te stillen haal ik ergens een grote pizza mozzarella die ik onderweg vanaf het busstation voor vier euro te koop zag staan. Voorwaarde is wel dat je de pizza afhaalt en dus niet in het restaurant opeet, dus mijn dag eindigt in het park met een pizza op mijn schoot. Het is een goede beslissing geweest om naar Mar del Plata te gaan, het is hier toch wel een stuk levendiger en gezelliger dan in Bahia Blanca.

 

Ik wordt wakker in een zonnig Mar del Plata en na het ontbijt ga ik op onderzoek uit in de stad. Pas nu valt me echt op hoe enorm veel appartementencomplexen er zijn hier, de ene flat is nog groter dan de andere. Op mijn wandeling kom ik natuurlijk onvermijdelijk op het strand uit, dat wat de stad zijn bestaansrecht geeft. Het is er gezellig druk, vooral ouders met kinderen, best vergelijkbaar met de situatie in Nederland. In mijn reisgids heb ik gelezen over hordes mensen die schouder aan schouder in het water staan, maar dat is gelukkig allemaal overdreven. Wellicht hebben meerdere mensen die reisgids gelezen en zijn ze uit angst voor drukte massaal weggebleven, waardoor ik het nu lekker rustig heb. Het kan ook komen doordat het donderdag is en het hier vooral in de weekenden volloopt, overmorgen zal ik het weten.

Ik loop over de boulevard langs het water en zie verschillende interessante dingen. Zo kom ik een paar vissers tegen die net hun avondmaaltijd aan het schoonmaken zijn. Vanaf de rotsen wordt op meerdere plekken geprobeerd een visje uit het water te halen. Ook kom ik langs een soort van kasteeltje. Het gebouw functioneert denk ik als een restaurant en is niet echt oud, maar de aantrekkelijke bouwstijl maakt dat verschillende mensen het met hun camera willen vastleggen, alsof het gaat om een oud fort. Geboeid door het succes van deze kitsch, volg ik hun voorbeeld. Wellicht kan ik zo thuis nog ontdekken wat men hier nu zo mooi aan vindt. Even verderop kom ik bij een ander stuk strand waar ook zwembaden zijn; wat een decadentie! Met een prachtige zee op steenworp afstand toch nog even een zwembad aanleggen, alsof de zee niet goed genoeg is. Maar ik vind het ook wel weer mooi om te zien, het natuurverschijnsel dat mens heet en het hier nodig vindt om een zwembad aan te leggen; fascinerend!

Ik loop terug naar mijn hostel via de stad en kom nog een aantal leuke bouwwerken tegen. Meest bijzonder is een grote toren die ik in de verte zie, waar ik (nieuwsgierig als ik ben) naartoe loop en kijk welke functie er eigenlijk in het gebouw zit. Het doet me denken aan de toren in Praag, maar ook aan de toren in Fantasialand. Het is kitsch ten top, maar wel mooie kitsch. Bij de toren tref ik veel toeristen aan en de deur staat open, dus ik besluit gewoon maar eens naar binnen te lopen. Ik wordt ontvangen door een aardige mevrouw die me zo de lift in begeleidt en voordat ik goed en wel door heb wat er aan de hand is sta ik al bovenin de toren van het uitzicht te genieten. Het blijkt hier om een grote watertoren te gaan die tevens dient als uitkijktoren. De toegang is gratis. De watertoren heeft een opslagcapaciteit van 500.000 liter en voorziet 70.000 mensen van water. Het uitkijkpunt bevindt zich op 74 meter boven zeeniveau. Ik heb dus een prachtig uitzicht over de omgeving. Vanuit de toren zie ik pas echt goed de omvang van de stad, die toch echt wel behoorlijk mag worden genoemd. Een leuk onverwachts tussendoortje dus hier, leuk dat mijn nieuwsgierigheid wordt beloond. Wie weet kom ik de komende dagen nog meer van dit soort dingen tegen in dit badoord. Mijn dag eindigt met een goedkope zelfgemaakte pasta bolognese en een stukje Argentijnse dans op de boulevard. Dat gaat Renee leuk vinden als ze hier is!

Na mijn ochtendritueel loop ik naar het busstation en koop een kaartje naar Mar del Plata voor morgen. Ik had eerst het plan om een week in Bahia Blanca te blijven en dan naar Buenos Aires te gaan, maar het is erg warm en ik heb behoefte aan zee. Ik vind Bahia Blanca een uitdagend stadje, maar wil ook niet te lang blijven hangen, dan ga ik over het hoogtepunt heen en wordt het misschien een afknapper. Vandaag dus nog een volle dag genieten en dan morgen weer verder.

Op de plattegrond van de stad zag ik gisteren het woord Zoologico (dierentuin) staan en ik ben altijd benieuwd hoe aan die term invulling wordt gegeven. Vanaf het busstation loop ik daarom naar de dierentuin, zeker 30 minuten verderop. Ik kom door buitenwijken heen en een straat waar schoolkinderen met een laptop op straat zitten, geen echte armoede dus hier. Ik zie ook een hoop oudere vrouwen op straat, met grote boodschappentassen of een hondje. Dat maakt dat ik me veilig voel in deze stad, ook al draagt de fysieke staat van de bebouwing daar niet echt aan bij. De vervallen huizen en winkels zijn een prima décor voor kansarme jongeren op scooters of drugsverslaafden die lekker in een vies hoekje willen liggen. Maar gelukkig dus niets van dat alles, gek genoeg leven hier fatsoenlijke mensen met een laptop of hondje. Ik kom zelfs nog bij een idyllisch pleintje met palmbomen, waar mensen ontspannen op bankjes zitten. Wat een leven is dit, hier staat de tijd bijna stil.

Het park waarin de dierentuin zich bevindt bestaat uit een groot terrein zonder enige vorm van afrastering. Ik zie nergens mensen en vraag me af of het wel veilig is om het park in te gaan, wie weet kom je dan net die ene gek tegen die op je geld uit is. Ik besluit toch maar voor het avontuur te kiezen en gewoon door te lopen. De wegen in het park zijn een beetje vervallen en het lijkt alsof hier al jaren niemand meer is geweest. Ik heb een déja-vu, dat wat ik bij aankomst voelde, voel ik nu weer; totale verlatenheid. In de verte zie ik een aantal kooien en ga er maar vanuit dat dat dan de dierentuin wel zal zijn. Ik vrees het ergste; als hier daadwerkelijk dieren zitten dan zullen die het niet best hebben zonder enige vorm van verzorging. Ik verwacht wat vogels en wellicht een schaap of een hert, maar wat ik zie overtreft al mijn verwachtingen. In de vervallen kooien, die overigens wel redelijk ruim en niet vies zijn, zie ik ganzen, schapen, apen, antilopes, herten, paarden, nandoe’s, guanaco’s, condors, bevers, puma’s en zelfs leeuwen. Een bijzonder grote diversiteit aan dieren dus, helemaal als je bedenkt dat ik hier echt helemaal alleen rondloop. Er is in geen velden of wegen iemand te bekennen, noch bezoekers, noch verzorgers. Mijn bezoek krijgt een hele eigenaardige lading door de afwezigheid van die mensen, maar stiekem vind ik het wel fijn. Ik kan rustig alle dieren bekijken zonder dat er schreeuwende kinderen voor me langs rennen, of vervelende Israëlieten met hun camera in mijn beeld staan. De dieren zien er goed uit en hebben allen voldoende water, eten en schaduw. Ik heb bij alle kooien echter hetzelfde gevoel dat ik altijd heb bij dierentuinen; dieren horen gewoon niet in een kooi te zitten! Het gaat hier echter om dieren die zijn gered uit rare huisdiersituaties, dus het is ergens nog een goede zaak dat ze dit leven kunnen leiden. Bij de apen maak ik contact met een harige zwarte verschijning die me van achter het gaas aankijkt. Ik kijk even in de ogen van de aap en loop dan om de kooi heen naar de andere kant. De aap volgt me door de kooi heen en gaat aan de andere kant weer recht voor mijn neus aan het gaas hangen; ik geloof dat er iemand aandacht nodig heeft… Ik loop weer terug naar waar ik eerst stond en de aap volgt me weer terug. Dit kunstje herhaal ik een keer of drie en de aap blijft me steeds volgen. Best leuk zo’n moment van interactie, zowel voor hem als voor mij. Ik voel aan de vingers van de aap die door de tralies steken, het zijn echt net mensenvingertjes. Ik heb eigenlijk nog nooit een aap aangeraakt bedenk ik me op dat moment, best een bijzonder moment dat ik niet snel zal vergeten. Het voelt alsof ik in slechts 5 minuten tijd vrienden heb gemaakt, een trouwe en goede vriend. Ik laat de aap maar weer snel achter op zijn plankje, voordat hij zich te erg aan me gaat hechten of ik me aan hem. Toch jammer dat hij daar in een kooitje moet zitten, maar ik heb ook niet echt een alternatief.

Ik loop terug via het treinstation waar ik gisteren ook al in de buurt was. Van voren is het hoofdgebouw nog statiger dan ik al had verwacht, wat raar dat er nu bijna niets meer gebeurt hier in dit monumentale gebouw. Samen met een nieuwe kamergenoot uit Engeland loop ik vervolgens een laatste ronde door Bahia Blanca. Ik weet eerlijk gezegd zijn naam niet eens maar de Engelsman rijdt per motor door Zuid-Amerika heen. Hij heeft al 12000 kilometer gereden, op een motor die hij gekocht heeft in Chili. Wat een leven zo in je eentje op de motor door onbekende gebieden. Aan zijn verhalen te horen maakt hij echter genoeg leuks mee. Samen eten we een hamburger in het centrum en spreken we over alles dat met reizen te maken heeft. Later bezoek ik in mijn eentje nog voor de laatste keer het centrum. Ik blijf weer een hele tijd op het centrale plein zitten en voel me bijna één van de locals. Zeker wanneer een oud stel me vraagt of ze naast me op het bankje mogen zitten en ik ze in mijn beste Spaans zeg dat dat natuurlijk geen enkel probleem is. Toch maar goed dat ik in Montanita die cursus heb gevolgd, daardoor kan ik mezelf nu lekker als local voordoen.

Vandaag kom ik erachter dat er toch wat meer leven in Bahia Blanca zit dan gisteren het geval leek te zijn. In de wijk waar ik slaap zijn een hoop kringloopwinkels open en de gedateerde meubels staan bijna midden op straat. Het is allemaal een beetje slordig en stoffig, maar ik vind het heerlijk. Voor het eerst sinds tijden heb ik weer het gevoel dat ik me op onbekend terrein begeef, weg van alle toeristen. Iets dat me weer een beetje doet denken aan Bolivia, Ecuador of Peru, gewoon het minder georganiseerde en meer van iedereen doet maar wat. Ik zit hier in een stukje Argentinië dat karakter heeft, dat een geschiedenis kent. Eind 19e eeuw bloeide de stad Bahia Blanca naar aanleiding van de grote graantransporten die via dit dorp plaatsvonden. Klaarblijkelijk is dat rijke leven inmiddels grotendeels historie, want alles ligt er arm en vervallen bij, maar dat is stiekem juist wat het voor mij mooi maakt. De stad krijgt een ziel, een gezicht, al is het geen erg vrolijk gezicht. Het is eerder een oud vervallen gezicht met grote rimpels, maar met een rij keurig bijgehouden witte glanzende tanden in het gebit. Ik maak vandaag namelijk een wandeling door het centrum en zie, naast de grote vervallenheid, ook een hoop verrassend mooi bewaard gebleven gebouwen. Echt oud is het allemaal niet, want het stamt uit het coloniale tijdperk, wat goed te zien is aan de europese invloeden in de verschillende bouwstijlen. Ik zit een hele tijd op het plein en geniet van het observeren van de mensen en honden om me heen.

Op de kamer in mijn hostel heb ik gezelschap gekregen van een Brasiliaanse jongen. Ik spreek hem niet echt tijdens zijn verblijf, maar vlak voordat hij vertrekt raken we toch aan de praat. Hij is vanuit het zuiden van Brazilië vertrokken per auto met als doel dezelfde route af te leggen door Zuid-Amerika als die ik heb afgelegd, maar dan in tegengestelde richting. Helaas, want anders had ik gezellig en gratis met hem mee kunnen rijden naar de volgende stad. Hij heeft overigens zijn auto professioneel beplakt met stickers die verwijzen naar zijn grote reis, erg mooi gedaan en dus maak ik er een foto van. Altijd leuk om fanatieke medereizigers tegen te komen die moeite doen om hun reis bijzonder te maken. Wellicht moet ik in de toekomst ook maar eens per auto de wereld in. Europa lijkt me wel een mooi begin, daar is ook nog zoveel boeiends te zien. Ik zal het eens aan Renee voorleggen, misschien dat we in 2013 een gaatje kunnen maken in onze agenda!

Leo is vertrokken en ik heb nog een extra dagje gepland in Ushuaia om mijn blogjes te schrijven en de zuidelijke schoonheid in me op te nemen voordat ik weer richting het noorden reis. Ik doe niet veel noemenswaardigs vandaag, maar dat is ook weleens lekker. Een beetje uitslapen, op mijn gemak boodschappen doen en een beetje door Ushuaia wandelen. Wellicht ook een beetje beseffen dat ik weer een stukje alleen reis, want dat heeft toch ook wel wat. Om de een of andere rede voelt het avontuurlijker, alsof de dingen die je doet net iets impulsiever en meer onverwachts gebeuren. Daarbij spreek je geen Nederlands de hele dag en ben je verplicht tot Spaans of Engels, dat draagt wellicht ook bij aan het ik-ben-echt-ver-weg-gevoel. Omdat mijn budgetplan weer is ingetreden eet ik die avond stokbrood met soep en erwten uit blik (ik lijk de straatarme mickey van de bonenstaak wel). In de receptie kom ik nog even de flip-over tegen waarop alle last-minute deals naar Antartica staan. Ushuaia is één van de beste startpunten naar dit bijzondere continent en ik vind het jammer dat het er deze keer niet in zit om te gaan, nu ik zo dichtbij ben. Een reisje van acht dagen kost immers een slordige 4100 dollar (last-minute!) en dat ga ik met mijn budget net niet trekken. Daarbij wist ik al voordat ik zo lang op reis ging dat ik nu eenmaal niet alles kan doen wat ik tegenkom, en dit is één van die dingen (net als bijvoorbeeld the Galapagos Islands). Later hoor ik dat er zelfs een last-minute deal binnen is gekomen voor een trip van 11 dagen die “slechts” 3000 dollar kost. Niemand in het hostel kan het geloven en iedereen wil gaan, maar het ontbreekt allen aan geld. Zo “voordelig” naar Antartica is maar voor enkelen weggelegd, mensen die hun reis vanuit thuis boeken betalen maar liefst 10.000 dollar!!! Maar goed, ooit zal ik Antartica nog wel zien, al moet ik er 20 jaar voor sparen.

 

Mijn reis naar het noorden begint de volgende dag voorspoedig maar vroeg, heel vroeg. Om 04.00 uur gaat mijn wekker en om 05.00 uur zit ik in de bus van Ushuaia naar Rio Gallegos. Net nadat we wegrijden maak ik nog een laatste plaatje van de zuidelijke haven vanuit de bus en dan is het slapen. Ik wordt pas weer echt wakker wanneer we de grens met Chili naderen. Vandaag reizen we van Argentinië naar Argentinië, maar we moeten daarbij wel over Chileens grondgebied. Ik had stiekem gehoopt dat de bus hermetisch gesloten zou worden en we dus zonder grensklets zouden kunnen doorrijden, als een soort van Argentijns eilandje op wielen in Chili, maar natuurlijk moeten we bij de grens weer alles uit de bus halen en door een grote scanner duwen (2x!). Er mag niks van groente, fruit, zuivel of hout het land in, wat zijn die Chilenen toch panisch. En ik heb weer eens niet genoeg vooruit gedacht en kan mijn drie appels en drie bananen weggooien of binnen 3 minuten opeten. Met één appel en de bananen kom ik een heel eind, maar twee resterende appels geef ik weg; één aan een hongerige collega-toerist en één aan een grensbewaker (dat zullen wel gezonde jongens zijn met al die toeristen en dat fruit elke dag).

Het stukje Chili dat we even later berijden is trouwens hilarisch. Waar onze weg door Argentinië bestond uit prachtig asfalt, rijden we hier in Chili over een stoffige gravelweg. En dat is dan de hoofdverbinding met het noorden… Ongelooflijk! Het lijkt wel alsof we met onze enorme bus tussen Gestel en Den Dungen door de polders rijden, zo primitief komt het over. Dit heeft natuurlijk allemaal weer te maken met die irritante grensstrijd tussen de twee landen waartussen ik reis. Gewoon puur om de ander te pesten geen goede wegen aanleggen, terwijl de rest van het land er prachtig bij ligt. Als reiziger wordt je er soms weleens moe van.

In Chili moeten we ook nog een stukje zeestraat over, waar een pont klaarstaat om ons met bus en al naar de overkant te brengen. Ik begin te begrijpen waarom de busrit zo prijzig was voor zo’n relatief korte afstand, het is een hele onderneming om weg te komen uit het zuiden der zuiden. Gelukkig gaat het bij de grensovergang naar Argentinië allemaal een stuk sneller (de Argentijnen zijn minder fobisch voor plantjes en takjes) en we komen zoals gepland om 17.00 uur aan in Rio Gallegos. Mijn geslaagde planning heeft ervoor gezorgd dat ik om 20.00 uur alweer de volgende bus neem naar Comodoro Rivadavia, dus het is even drie uurtjes de benen strekken en wat eten. Ik ben met Leo al een keer op dit busstation geweest en weet inmiddels het restaurant en de tioletten feilloos te vinden. Ook het draadloos internet werkt weer, een prima stopplaats dus. Om 20.00 uur vervolg ik mijn reis met een luxe bus (cama-stoelen) van Andesmar, mijn persoonlijke favoriet als het gaat om busreizen in Argentinië. De service aan boord is erg goed en alles werkt (zelfs de ventilatie, het is bijna niet te geloven!). Er volgt een aangename nachtelijke busrit met voldoende films en maaltijden.

 

Vroeg in de ochtend (07.00 uur) kom ik aan in Comodoro Rivadavia. Ook op dit station ben ik eerder geweest met Leo, maar hier zijn we slechts 5 minuten stil blijven staan met de bus en dus niet uitgestapt. Dit keer stap ik wel uit, want mijn volgende bus vertrekt pas om 15.15 uur. Voordat ik een plan heb voor de komende uren loop ik met al mijn bagage het toilet binnen, want mijn ochtendplasje heb ik nog niet gemaakt. Mijn backpack zit in mijn travelbag (extra beschermhoes), dus die zet ik even in een hoekje neer op de grond, vlakbij de ingang. Niets aan de hand zou je zeggen, maar wanneer ik het toilet weer verlaat merk ik dat mijn travelbag een beetje nat is. Tot mijn ongenoegen blijkt dit nat niet zomaar nat te zijn maar vies nat, geel nat, als je begrijpt wat ik bedoel. Nu stinkt alles, ook mijn backpack zelf, want de reishoes is blijkbaar niet geheel waterdicht. Ik vind niet snel dingen vies, maar dit is er toch wel één van. Ik maak dus meteen een plan om mijn rugzak schoon te krijgen en nog geen 15 minuten later sta ik alles te wassen in de zee. Ik lijk wel een zwerver, zo langs de kade op de paar stenen die zich aan de dubieuze waterkant bevinden. Er is hier geen strand, maar mijn tas moet schoon en dus maakt het me niet uit hoe gezellig het er hier uitziet. De paar voorbijgangers moeten wel hebben gedacht, toen ze me vanaf de hoger gelegen kade aan het werk zagen om 07.30 uur in de ochtend; “Daar heb je weer zo’n zwerver”. Mijn ongeschoren gezicht zal ook niet hebben bijgedragen aan het uitdragen van mijn status als “de verzorgde westerling”, die ik eigenlijk wel ben. Maar misschien denken zwervers ook wel zo, misschien weten zij van zichzelf ook dat ze eigenlijk best schoon kunnen zijn, maar nu tijdelijk even in deze situatie zitten.

Ik eindig mijn zwerversleven door bij een benzinestation ontbijt te kopen en te computeren, want dat is natuurlijk niet echt wat zwervers doen. Er is internet en stroom, dus ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn website bij te werken. Mijn website is nu alweer een weekje in de lucht na de lange virusblokkade, maar nog steeds heb ik niet alle reisverhalen online staan. Het is een heel karwei, vooral omdat er vele foto’s zijn die ik moet uitzoeken. Maar het is beter om het nu meteen te doen, want anders doe ik het nooit meer, dan wordt het teveel werk. Met een “schone” tas en een gevulde maag stap ik om 15.15 uur in de bus naar Bahia Blanca, de eindbestemming van mijn meerdaagse busreis. In Comodoro Rivadavia was het overigens stralend weer, 25 tot 30 graden, dus een korte broek en T-shirt aan. Wat fijn dat ik eindelijk de warmte in ga en mijn korte broeken weer aan kan trekken.

Het enige noemenswaardige aan de busrit naar Bahia Blanca is dat we rond twaalf uur snachts stoppen om ergens in een wegrestaurant te eten. Ik begon me al af te vragen of er nog eten kwam, want met die paar repen zoetigheid die ik smiddags bij het instappen kreeg red ik het niet, maar dan stoppen we in the middle of nowhere, in het donker. Er is een klein schimmig restaurantje, waar we met zijn allen naar binnen gaan en pasta met bolognesesaus krijgen. Het is een beetje een rare setting, maar veel beter dan een standaard busmaaltijd, dus mij hoor je niet klagen. We krijgen zelfs drilpudding na, mijn dag kan niet meer stuk.

 

De aankomst in Bahia Blanca is een beetje vreemd. Je zou denken dat je na een reis van 50 uur (met 38 bus-uren) wel moe bent, maar ik ben fit genoeg om naar mijn hostel te lopen, zo’n 30 minuten vanaf het busstation. Onderweg zie ik de straten van Bahia Blanca, die er toch wel meer verlaten bij liggen dan ik had verwacht. Overal zie ik vervallen en gesloten gebouwen, er is zelfs nauwelijks iemand op straat. Als je me zou zeggen dat ik over de set van een nieuwe horrorfilm zou lopen had ik het meteen geloofd. Het lijkt wel alsof er hier iets is gebeurd dat alle bewoners heeft verjaagd en dat ik die ene sufferd ben die van niks weet. Uiteindelijk weet ik het hostel gemakkelijk te vinden en blijkt dat het enige teken van leven in de hele wijk te zijn. Het is natuurlijk zondag, dus wellicht ligt iedereen nog op één oor, maar het is toch wel een bijzondere situatie. Mijn hostel is groot en ruim opgezet, met voldoende faciliteiten, maar wel een beetje smerig (vooral de keuken). Er is wel een gratis pooltafel, net als in mijn vorige hostel. Zo kom je ze nergens tegen wanneer je met iemand samen reist en zo heb je ze in elk hostel, als er niemand is om tegen te spelen. Ik heb het idee dat er maar weinig backpackers komen hier in Bahia Blanca en dat de meeste hostelbewoners Argentijnen zonder huis zijn. Ik zie bijvoorbeeld een straatverkoper de deur uitlopen, vanuit zijn slaapkamer zo de straat op, om weer een nieuwe nacht in het hostel bij elkaar te verdienen.

Ik hou die dag lange siësta’s en kom bij van mijn busavontuur, want het is buiten 34 graden en veel zal er verder toch niet te doen zijn vandaag. In de namiddag loop ik nog even naar het centrale plein voor een blik op de binnenstad en een goede (kope) avondmaaltijd. Gelukkig is het in het centrum wel wat drukker, ik ben dus toch niet de enige in deze stad. Morgen maar eens wat beter op verkenning uitgaan.

De dag is gekomen, Leo keert weer huiswaarts. Na Jeroen is hij de tweede die me op kwam zoeken en ook wij zagen samen prachtige dingen onderweg. Wanneer ik hem op het vliegveld vraag naar zijn hoogtepunt van de afgelopen weken, dan hoeft hij niet lang na te denken voordat hij zegt: “Fitz Roy, El Chalten”. Ik ben het grotendeels met hem eens, onze wandeling naar Laguna de los Tres was één van de meest indrukwekkende van onze reis samen. Ik voeg daar nog twee dingen aan toe; Vulkaan Villarrica en Gletsjer Perito Moreno. Ik denk dat die drie dik bovenaan staan, gevolgd door Torres del Paine, Peninsula Valdes en de boottocht door Beagle Channel. En dan zijn er nog die vele andere mooie belevenissen die je bijna zou vergeten: het kerkhof in Punta Arenas, of de dagwandeling in Bariloche, of de tocht naar de vlag op de berg, of de stad Santiago, en zo kan ik (natuurlijk) nog wel even doorgaan. Genoeg meegemaakt dus weer, het teken van een interessante en actieve reis.

Nadat we samen naar mijn nieuwe hostel zijn gelopen (ik herpak mijn oude vertrouwde leventje, vanaf vanavond lig ik weer in een lawaaierige en muffe kamer voor slechts 13 euro per nacht, jippie!) pakken we de taxi naar het vliegveld. Het inchecken verloopt voorspoedig en onder het genot van een laatste Argentijns biertje praten we na over de afgelopen weken. Dan is het moment gekomen om gedag te zeggen en neemt Leo plaats in de rij voor de douane. Nog een bekende zwaaifoto (net zoals ik bij Jeroen deed) en dan is het weer gebeurt, weer een bekende die dit werelddeel verlaat. Ik ben weer alleen, alleen in dit zuidelijk deel van de wereld. Een beetje saai in het begin, maar toch ook wel weer gaaf. Niemand waar je rekening mee hoeft te houden, niemand die op je wacht of vraagt wat je gaat doen. Gewoon je eigen plan trekken, als een anoniem persoon in een uithoek van de wereld.

Omdat het pas 12.00 uur is wanneer ik het vliegveld verlaat, loop ik terug naar mijn nieuwe hostel om het vliegtuig waarin mijn vader zal zitten op te zien stijgen. Vanuit mijn nieuwe hostel heb je vanaf de bovenste verdieping namelijk een prachtig uitzicht op Ushuaia en het vliegveld. Het is wel een uurtje lopen naar het hostel, maar ik ben weer alleen en dat betekent dat een taxi voor mij te duur is. Waar ik euro’s kan besparen zal ik dat de komende weken zeker niet laten. Nog net op tijd voor het opstijgen bereik ik mijn uitkijkpunt, het duurt nog 15 minuten voordat het vliegtuig de lucht in gaat. Ik zet mijn laptop aan en chat met Renee terwijl ik door het raam mijn vader zie wegvliegen. Hij zit in een grote Boeing 747 met 4 motoren die vlak na het opstijgen een scherpe draai naar links maakt (180 graden). Ik weet nog een foto te maken terwijl ik door mijn verrekijker het toestel volg. Daar gaat mijn vader, zo de lucht in, en uiteindelijk verdwijnt het rokende stipje vervagend in de wolken. Een mooi dramatisch afscheid, wat een prachtige uitvinding is dat vliegen toch eigenlijk. Hopelijk heeft mijn vader een voorspoedige reis, hij is immers maar liefst 38 uur onderweg en het zou vervelend zijn wanneer daar nog meer tijd bij zou komen.

Tegen het vallen van de avond zie ik een prachtige wolkenlucht ontstaan wanneer ik al computerend door het raam kijk. De ondergaande zon heeft een gaatje gevonden tussen de wolken met als resultaat een schouwspel aan 3d-effecten. Het lijkt wel alsof de hemel het vertrek van mijn vader nog een beetje kracht wil bijzetten, alsof het wil zeggen; “die komt wel goed aan”. Naar buiten kijkend nuttig ik mijn avondeten, dat inmiddels ook is aangepast aan mijn nieuwe budget. Dit keer geen lamsvlees meer of luxe pizza, ik eet stokbrood met kaas, tomaat en ui en drink water uit de kraan. Het echte leven is weer begonnen!

Het is alweer de laatste dag dat Leo in Zuid-Amerika is, wat gaat de tijd toch snel (vooral als die achter ons ligt). Om onze dag invulling te geven bezoeken we het Maritiem museum van Ushuaia, een groot museum dat is ondergebracht in de oude gevangenis van het zeestadje. Dat het museum groot is merken we al in de eerste ruimte die we binnen gaan; op de plattegrond is te zien dat we ons in slechts een klein zijvleugeltje begeven, maar wanneer we door een gordijn naar binnen stappen, krijgen we een grote hoeveelheid aan informatie over de lokale geschiedenis van de scheepvaart over ons heen. We zien een model van het Nederlandse schip “de Eendracht” (het verhaal van het nabijgelegen Kaaphoorn), maar ook van bijvoorbeeld “the Beagle” (het verhaal van Charles Darwin en Beagle Channel). Er is ook veel tekstuele informatie over alles wat we zien en het duurt zeker een uur voordat we de eerste ruimte gezien hebben (ongeveer 5% van het gehele museum). Het is dan alweer 14.00 uur en we besluiten het museum weer te verlaten om op zoek te gaan naar een restaurant; We’ll be back!

Het centrum van Ushuaia bestaat uit een lange hoofdstraat waaraan allerlei winkeltjes en restaurants liggen. Het stadje ligt tegen een redelijk steile berghelling aan waardoor de straten haaks op de hoofdweg flink hellen. Eén straat lager dan de hoofdstraat, paralel eraan, loopt een soort boulevard langs het water en de haven. Alles in dit stadje bevindt zich op loopafstand, erg handig en het scheelt een hoop gedoe met bussen of taxi’s. We vinden een leuk restaurantje en vullen onze magen, om vervolgens weer terug te keren naar het museum.

Na het maritieme gedeelte waar we begonnen volgt de eigenlijke gevangenis, die is omgebouwd tot museumruimte. In elke cel hangen borden met verhalen en foto’s uit de oude gevangenis die hier tot in het begin van de 20e eeuw werd gebruikt. Ushuaia gold toen als een soort Australië; een perfecte locatie om ongewenste criminelen uit Europa naartoe te verschepen en gevangen te zetten. De gevangen hadden geen kans op ontsnapping, want wie weg wist te komen had alsnog een boot nodig om te ontsnappen (de bergen in vluchten betekende verhongering). Een soort Alcatraz dus, maar dan zuidelijker. Ik probeer alle verhalen te lezen en dat lukt me uiteindelijk wonderlijk genoeg, het zijn er namelijk echt veel. Het is best aangrijpend om te lezen hoe de gevangenen hier in minimale kleding door de kou moesten banjeren, helemaal afgelegen van alles en iedereen in Europa. Ik heb het al koud met mijn jas aan en sjaal om, het is natuurlijk maar wat je gewend bent. De gevangenis lijkt niet alleen qua concept op Alcatraz maar ook letterlijk. De gangen met celdeuren komen aardig overeen met wat ik in San Fransisco zag. Er is zelfs nog een gang te zien in originele staat, een stuk sfeervoller (als je het zo mag noemen…) dan de opgewerkte museumgang die we daarvóór zagen.

Genoeg over het museum, het is enorm en ik kan onmogelijk alles samenvatten wat ik binnen allemaal gelezen heb, dus ik begin er maar niet aan. Vermoeid na de stortvloed aan informatie schuiven we even later aan bij een groot dinerbuffet voor het laatste Zuid-Amerikaanse avondmaal van Leo. We zitten in een soort van Chinees restaurant met een typisch Patagonisch gerecht: Parrillada. Parrillada bestaat uit allerlei soorten vlees die op ambachtelijke wijze gebakken worden. Voor 17 euro p.p. mogen we zoveel vlees bij de chef gaan halen als we op kunnen. Vooral het lamsvlees is populair en wordt op grote spitten boven een vuur gegaard. Het lijkt de middeleeuwen wel hier. Ook de saladebar staat onbeperkt tot onze beschikking (die hadden ze dan weer niet in de middeleeuwen denk ik), een geweldige schranspartij ligt voor de hand. We houden het echter beschaafd; drie keer lopen is voldoende om ons te verzadigen. Een mooi afscheid dus van Patagonië, in elk geval op culinair gebied.

We worden wakker op onze nieuwe nieuw slaapplek. Het Bed en Breakfast waar we sinds gisteren in terecht zijn gekomen is in alle opzichten het tegenovergestelde van het hostel dat we daarvoor hadden. De bedden stinken niet, het ontbijt bestaat uit meer dan alleen jam (yoghurt met cereals) en de huiskamer lijkt meer op dat van een gezin dan dat van een stel jongeren. Het is wat boven mijn stand (met 27 euro per persoon per nacht dubbel zo duur als een hostel), maar het is een heerlijke warme plek om thuis te komen. In de loop van de ochtend kopen we ons lunchpakket bij de supermarkt en vertrekken we per bus naar Tierra del Fuego National Park. Ik had geloof ik gisteren al vermeld dat alles hier erg duur is en dat geldt ook voor de boswandeling die we vandaag gaan maken. Niet alleen moeten we de bus naar het park betalen (zo’n 17 euro per persoon voor een ritje van 30 minuten), ook is er de toegangsprijs van het National Park (14 euro per persoon). We maken dus een boswandeling van 31 euro per persoon, de duurste in mijn carrière als boswandelaar (het is nota bene nog goedkoper om een dagje naar de Efteling te gaan!).

Tierra del Fuego is prachtig, maar niet meer dan dat. De laagdrempelige wandelpaden die we die middag lopen voeren langs beekjes en riviertjes. We zien veel ouderen lopen en toeristenbussen rijden af en aan, duidelijk een teken dat we ons in een gebied bevinden dat gemakkelijk toegankelijk is en geen hoge moeilijkheidsgraad heeft. We hadden wel voor die hogere moeilijkheidsgraad kunnen kiezen door een pad de bergen in te nemen, maar na al het lopen en klimmen in de afgelopen weken doen we het vandaag maar eens rustig aan. Daarnaast is het landschap hier erg mooi, maar lijkt het ook veel op wat we al gezien hebben en heeft het verder niet veel bijzonders dat echt de moeite waard is. We zijn verwend en moeten terugschakelen om van dit relatief eenvoudige landschap te kunnen genieten. Wanneer je in je gedachten de Yaghan indianen in deze omgeving ziet rondlopen krijgt het allemaal nog wel wat extra spanning, maar zonder die gedachte zien we vooral een doorsnee bloeiend landschap waar ik na een jaartje Nederland waarschijnlijk een moord voor zou doen.

We betreden een vlonder, daar ging het eigenlijk al mis, want wie in the USA geweest is weet dat vlonders er alleen maar zijn om hordes toeristen een dienst te bewijzen. En die hordes zien we dan ook. Zo staan we nog alleen in de vrije en wilde natuur en zo kun je geen foto meer maken zonder dat er een toerist op te zien is. Ik erger me dood, maar dat is denk ik vooral omdat al die toeristen zich ook hetzelfde gedragen. De eenvoud van de voorgeprogammeerde mens, dat is wat we hier zien. Met wel 3 busladingen tegelijk (zeker 50 personen) lopen alle toeristen in een rijtje de vlonders op om vervolgens op het puntje synchroon foto’s te maken van alles en iedereen om zich heen. Ik moet er eigenlijk gewoon van lachen, maar tegelijkertijd ook een beetje huilen. Kunnen we dan niet eerst meer even genieten van de omgeving en pas na een minuut of 10 beginnen met foto’s maken? Ik vrees dat ik zelf geen haar beter ben, maar het is toch eigenlijk triest om te zien, dat het vastleggen van de omgeving belangrijker is dan het beleven van de omgeving zelf. Waar gaat het nu eigenlijk om; het kunnen bewijzen dat je ergens bent geweest of het ergens echt zijn? Maar misschien maken alle mensen die foto’s ook wel uit sociaal oogpunt, ze denken eerst; “deze beleving wil ik ook aan mijn vrienden/familie laten zien!” en denken daarna pas aan zichzelf. Hoe dan ook, ik denk dat we meer aan ons zelf moeten denken en stel voor dat iedereen die dit leest eerst tien minuten rondkijkt en dan pas begint met foto’s maken bij elk uitzichtpunt dat bezocht gaat worden. Ik ga er zelf ook op letten, eens kijken hoe dat gaat.

We laten gelukkig de kudde toeristen achter ons en lopen verder door de bossen. Het is koud, erg koud, maar toch eten we in de buitenlucht onze lunch op. Ik moet bijna een traantje wegpinken wanneer het laatste likje pindakaas in mijn mond verdwijnt; “Dag Pindakaas! Tot over een week of drie, hopelijk mag je dan mee met Renee zodat ik je weer in mijn armen kan sluiten!”. We komen ook nog langs een beverdam, tenminste, als ik het bordje moet geloven dat erbij staat. Ik zie nergens een echte burcht en vraag me af of het hier niet gaat om een verstrooide boswachter die zijn roeping als houtzager gemist heeft. Maar het ziet er allemaal leuk uit, al die takjes die het water tegenhouden. Als het minder koud was dan was ik hier wellicht wat langer gaan zitten om te kijken of er nog een bever te spotten valt.

Via een veenmeer lopen we naar het bezoekerscentrum waar de bus ons weer komt ophalen. We hebben ongeveer 4 uurtjes rondgelopen in het dal en vinden het wel weer mooi geweest. Binnen in het bezoekerscentrum bekijken we nog geïnteresseerd naar een tentoonstelling over gletsjers en de Yaghan indianen. De vele maquettes die we aantreffen geven een mooi beeld van hoe het er hier aantoe ging vóór de komst van de Europese zeevaarders. Toch wel bijzonder dat mensen hier tot in de 19e eeuw op zo’n primitieve manier leefden, je zou denken dat dat duizenden jaren geleden is.

Eenmaal terug in de bewoonde Ushuaiaanse wereld, gaan we uit eten en spelen we een eerste en laatste potje pool, want natuurlijk kan Leo niet zonder dit tafelspel gespeeld te hebben terugkeren naar Nederland, niet nadat Jeroen er ook aan moest geloven. Hopelijk vindt Renee het ook leuk om te doen, want veel keus heeft ze niet, iedereen die me op komt zoeken is verplicht een potje pool te spelen. Dat hoort nu eenmaal bij het reizen door Zuid-Amerika vind ik. Gelukkig kan ik de meeste potjes van Leo winnen en blijft mijn status als poolkoning van het zuidelijk halfrond overeind.

Het was een roerig nachtje! Tot laat in de avond, of zelfs diep in de nacht, liepen er mensen over de vloer boven ons. Het is hier erg gehorig en dus ben ik meerdere malen wakker geworden van al die stampende voeten op het hout. Echt bizar, wie loopt of lopen er nu diep in de nacht (03.00 uur) zo lang achter elkaar door een kamer heen? Dat er af en toe iemand loopt kan ik me nog voorstellen, maar het was een permanent geloop en gestommel, alsof er een nachtelijke verbouwing bezig was. Uiteindelijk heb ik toch nog een oogje dicht kunnen doen en zitten we nu gesteven en gestreken aan ons laatste Chileense ontbijt (stoppeltoast met jam). Om 08.45 uur in de ochtend verlaten we ons hostel alweer om op weg te gaan naar Ushuaia. Samen met 6 andere gelukkigen halen we ons ticket op, stempelen ons paspoort af en stappen in een klein busje. In het douanekantoor zagen we trouwens nog dat er een dansschool in ons hostel zou moeten zitten, misschien dat daar vannacht al die herrie wel vandaan kwam. Het is lachen als een boer met kiespijn bij die gedachte; wat een vreemd hostel!

De tocht per busje naar Puerto Navarino volgt een slingerweg langs de kust en duurt ongeveer 90 minuten. Onderweg zien we nog veel mooie ongerepte stukken groen die het eiland rijk is. Dit is echt nog een onontdekt paradijsje, een plek die zelfs voor de meeste toeristen te ver in het zuiden ligt (ze houden het vaak bij een vlucht naar Ushuaia). Wanneer we aankomen bij Puerto Navarino komt toevallig net het bootje aangevaren dat ons naar de overkant zal brengen. Het is een mooi beeld, met de oude vervallen stijger en de bloeiende bloemetjes op de voorgrond. We verlaten dit afgelegen eiland en vertrekken richting de stadse beschaving van Argentinië.

De boottocht gaat snel (zoals verwacht) en voordat we het weten staan we aan de overkant in de haven tussen de cruiseschepen. Ushuaia is niet alleen de zuidelijkste stad ter wereld, maar ook het ideale startpunt voor een boottocht naar Antartica. Voor “slechts” 3000 euro mag je 8 daagjes meevaren en genieten van het echte zuiden. Helaas voor ons niet weggelegd, ik heb mijn investering uitgesmeerd over 7 maanden in plaats van 8 dagen. Vanuit de haven gaan we op zoek naar een slaapplek voor die nacht (natuurlijk na een mooie Argentijnse stempel in ons paspoort) en we komen uit bij een hostel. We hebben wel een kamer geboekt in Ushuaia, maar omdat we één dag eerder deze kant op zijn gekomen (we hadden het na één dag wel gezien in Puerto Williams en wilden meer tijd in Ushuaia) moeten we één nachtje overbruggen. Het hostel zit vol jongeren en we liggen met zijn zessen op een kamer. Niet echt Leo’s ideale slaapomgeving, maar voor één nachtje kan het wel. Ik voel me weer even de reiziger die ik een aantal weken geleden was, die van weinig geld en goedkope hostels. We hebben de afgelopen tijd bijna alleen maar privé-kamers gehad, maar toch voel ik me meteen weer thuis in deze bezige setting; gezellig!

In de namiddag doen we navraag over mogelijke excursies en komen we erachter dat een tochtje naar een pinguincolonie maar liefst 90 euro per persoon kost (duurt vier uur en bestaat voornamelijk uit in een bus zitten). Het lijkt me erg leuk om een flinke colonie pinguins te zien, maar deze prijs is echt te gek. Helemaal omdat ik in mijn reisgids lees dat dezelfde excursie 2 jaar geleden nog slechts 45 euro kostte. Dat is overigens wat je overal in Argentinië ziet en hoort; belachelijke prijzen en prijsstijgingen. Iedereen klaagt erover en voor de mensen die nog steeds denken dat Chili duur is heb ik nieuws; Argentinië is tegenwoordig duurder! De prijzen zijn hier zo belachelijk dat je bijna geen zin meer krijgt om iets te bezoeken.

Dat doen we dan ook niet. Op onze tweede dag in Ushuaia doen we niet veel meer dan uitslapen, van slaapplek wisselen (ons nieuwe onderkomen is een zeer huiselijk Bed en Breakfast), naar een gesloten museum lopen en uit eten gaan. We komen bij van de strakke reisplanning van de afgelopen weken en genieten van het niets doen. De winkelstraat en de haven worden wel nog met een klein bezoekje vereerd, maar het is vandaag koud en guur en prima weer om lekker binnen te zitten. Het weer was de afgelopen weken echt prima, nergens was er harde regen of extreme kou, maar hier in Ushuaia vangen we voor het eerst een glimp op van de gewoonlijke Patagonische omstandigheden. We zijn natuurlijk hier in de lente, maar hadden toch een beetje meer sneeuw en kou verwacht.

Bij het ontbijt wordt ons brood geroosterd door een man op leeftijd, een andere man dan die ons gisteren van boord haalde, want die ligt nog hoorbaar achter zijn gordijntje te slapen. Ook de eetkamer bevindt zich in dezelfde ruimte als waar de manager woont en slaapt, best gezellig dus, maar ook wel een beetje een bijzondere setting. De man die het brood roostert is overigens ook erg aardig, maar wel een beetje verstrooid. Wanneer Leo een vraag stelt wrijft hij nadenkend en onbewust met het broodtangetje over zijn bestoppelde kin, alsof hij daar het antwoord probeert los te wrijven. Hij lijkt zich geen ogenblik te realiseren dat hij met datzelfde broodtangetje over enkele minuten onze boterhammen uit de rooster gaat halen, iets dat naar onze westerse maatstaven niet als echt hygiënisch wordt beschouwd. Maar wellicht is het volgens goed Navariens gebruik dat er met het broodtangetje over de kin wordt gewreven, dus we zeggen er maar niks van. Als toerist ben je immers altijd te gast en dien je jezelf ook als gast te gedragen, zelfs als dat betekent dat je bestoppeld brood moet eten.

Na ons behaarde ontbijt kopen we twee tickets voor een overtocht naar Ushuaia, waar we morgen heen zullen varen. Bij het horen van de prijs van de overtocht valt mijn mond bijna open van verbazing. Douane: 8 euro (oke), busrit van 1,5 uur naar haven: 16 euro (oke), boottocht van 20 minuten naar Argentinië: 50 euro (belachelijk!). Totaal zijn we dus 74 euro kwijt om naar de overkant te komen, naar de bergen die we vanaf Puerto Williams kunnen zien. Een ridicuul bedrag, vooral voor de boottocht van 20 minuten. Gisteren maakten we nog een boottocht van 30 uur en die kostte ons “slechts” 150 euro. Het boottochtje van morgen is dus ongeveer 30 keer zo duur! We doen navraag en horen dat de Argentijnen achter dit complot zitten. Zij zijn het die de boot exploiteren en dus de prijs bepalen. Een en ander heeft te maken met de grensproblemen tussen beide landen, waar wij nu de dupe van worden. Maar er zit niets anders op, zwemmen is vrij lastig met je backpack, dus we kopen de kaartjes met tegenzin. Wat een afzetterij!

Gelukkig hebben we in financiële zin een goede dag verder, want het museum dat we aansluitend bezoeken is gratis, net als de bergwandeling die we later maken. Het relatief kleine museum vertelt het verhaal van de Yaghan indianen die hier duizenden jaren hebben gewoond. Helaas zijn ze met de komst van de Europese zeevaarders allemaal uitgestorven, vooral door besmettelijke ziektes. We zien foto’s en gebruiksvoorwerpen van de indianen en lezen over leefwijzen en gebruiken. De primitieve indianen waren nomaden en leefden in deze streek vooral van zeedieren en guanaco’s. Ze waren bedekt met weinig kleren en hadden het vuur ontdekt om zich warm te houden. Vuurtjes waren dus belangrijk, net als de van boomschors gemaakt kano’s waarmee ze zich verplaatsten. De vuurtjes werden zelfs brandend meegenomen in de kano’s, zodat ze niet steeds opnieuw en met veel moeite met vuurstenen aan de slag moesten. De naam vuurland of Tierra del Fuego (die deze regio heeft) komt dan ook voort uit de vuurtjes die de eerste ontdekkingsreizigers aan land zagen branden. Charles Darwin typeerde de inboorlingen in 1833 als volgt:

 

I never saw more miserable creatures; (…) stunted in their growth, their hideous faces bedaubed with white paint & quite naked, their red skins filthy & greasy, their hair entangled, their voices discordant, their gesticulation violent… Viewing such men, one can hardly make oneself believe that they are fellow creatures placed in the same world.”

 

Geen stralende en frisse jongens dus, die Yaghan people, maar een zeer interessante cultuur die helaas helemaal is verdwenen. Ik lees nog veel over de gebruiken van de indianen, waarbij vooral het overgangsritueel van kind naar volwassene eruit springt. Kinderen werden daarbij ontvoerd uit hun huis en werden in afzondering beschilderd. Er volgden rituelen met beschilderde mensen die vreemde geluiden maakten, een behoorlijk angstaanjagende periode voor het kind van meerdere dagen. Daarna was het volwassen en klaar voor de weide wereld. De details ben ik helaas alweer vergeten (er is ook zoveel informatie in die musea), maar het is zeker de moeite van het verdiepen waard.

Na het museumbezoek kopen we eten in de “supermarkt” (lees: een klein huisje met goederen) en beginnen we aan mijn laatste wandeling op weg naar het zuiden. We zullen Cerro Bandera beklimmen, een relatief eenvoudige berg met een grote Chileense vlag op de top. Het avontuur begint in de bossen, waar het goed gemarkeerde pad over verschillende hindernissen loopt (vooral omgevallen bomen). Het is echt stil onderweg, op een paar fluitende vogels en een riviertje na horen we niks of niemand. We komen ook geen andere wandelaars tegen, we zitten hier echt op een eiland in het afgelegen zuiden. Wanneer we na een uurtje lopen boven de boomgrens uitkomen zien we een prachtig uitzicht op Puerto Williams en Beagle Channel. Je kunt hier vanaf de grond bijna de landkaart zien die we gisteren op de boot nog hebben bekeken. In de verte zien we Ushuaia, de zuidelijkste stad ter wereld, die we morgen van dichtbij zullen bekijken.

Een klein stukje verderop bereiken we via een klein sneeuwveldje de grote vlag op de top van de berg. Een mooie markering op het eind van onze route dus. Omdat Cerro Bandera zich ten zuiden van Puerto Williams bevindt en onze beklimming aan de noordkant van de berg was, is de top van deze berg het zuidelijkste punt waar ik op mijn reis door Zuid-Amerika zal komen. Vanaf de vlag lopen we nog enkele tientallen meters verder naar het zuiden, op zoek naar een windstille plek voor de meest zuidelijke lunch op mijn reis. We eten tonijn uit blik, stokbrood en zelfs het laatste beetje pindakaas dat ik nog in mijn tas heb zitten. Als dit geen reklame is voor Calve dan weet ik het niet meer! Na de lunch loop ik nog een paar passen verder naar het zuiden, en nog een paar verder, want waar is nu precies het meest zuidelijke punt? Ik kan natuurlijk steeds een stapje meer doen, maar wil wel ergens een grens trekken. Een zuidelijk sneeuwveldje biedt uitkomst, mijn voetafdrukken blijven mooi in de sneeuw staan en markeren het punt waarop ik besluit dat het mooi geweest is. Ik heb genoeg stappen gezet in zuidelijke richting, genoeg bussen genomen, genoeg dingen gezien. Het is tijd om mijn blik noordwaards te wenden, de ommekeer op mijn reis, en dat is wat ik dan ook letterlijk doe. Het keerpunt, de zuidelijkste stip op de landkaart in mijn toekomstige fotoboek zal hier liggen, hier in de sneeuw enkele tientallen meters ten zuiden van de Chileens vlag. Dit is het punt waar opa naar zal verwijzen wanneer zijn kleinkinderen vragen; “wat is het meest zuidelijk punt waar je ooit bent geweest opa?”, “Hier mijn jongen” zeg ik dan, wijzend daar dit zuidelijke plekje op aarde. Maar genoeg sentimentele fictiviteiten, het is tijd voor bier! En niet zomaar bier. Voor de gelegenheid hebben Leo en ik het meest zuidelijk gebrouwen bier ter wereld meegenomen uit Punta Arenas. Na een paar minuutjes in de koude sneeuw is die perfect op temperatuur en proosten we op de bereikte mijlpaal.

Het afdalen gaat vervolgens snel. Waar het tempo van Leo bepalend is voor de tijd die we over de beklimming deden, is het mijn stommiteit die de duur van de afdaling bepaalt. Tijdens een korte stop op een uitzichtpunt laat ik mijn rugzak van een bankje afglijden en die rolt zo van een steile rots af. Tien meter beneden ons horen we hem na een flinke klap en wat rollen tot stilstand komen, dus ik start een recovery operation. Leo blijft op het punt van vermissing staan terwijl ik via een grote omweg probeer de bossen aan de voet van de rots te bereiken. Zodra ik van het pad af ben is de helling steil en losjes zodat ik steeds wegglij. Ook liggen er overal takken en boomstronken op mijn route, geen eenvoudige klus dus. Uiteindelijk kom ik 15 minuten later bezweet aan bij mijn rugzak en kan ik hem gelukkig weer in mijn armen sluiten. Mijn veldfles is flink gedeukt, maar verder is er niks aan de hand en kunnen we weer verder. Volgende keer toch maar een beetje beter opletten waar ik mijn tas neerzet, mijn paspoort zat erin en voordat je het weet kun je het land niet meer uit.

We gaan terug naar het hostel, nemen een douche in de beruchte badkamer en lopen naar het centrum van Puerto Williams. Puerto Williams is een klein afgezonderd marine-dorpje met slechts 2262 inwoners en dat is goed terug te zien aan de omvang van de dorpskern. Omdat dit eiland tot Chili behoort en de dichtstbijzijnde Chileense stad (Punta Arenas) op 30 uur varen ligt, ontbreekt het de inwoners hier deels aan degelijke moderne gebouwen. De meeste huisjes die we zien zijn gemaakt van staalplaten, zo ook de huisjes die het kleine centrumpleintje omringen. Het is alsof je in een tijdelijk kamp rondloopt, of een soort van basis op de zuidpool. Ook het enige restaurant dat het dorp rijk is bevindt zich in het centrumpje, dus we hoeven niet lang te zoeken voordat we het vinden. Op het menu vandaag een sandwich of een pizza met Kingkrab, iets anders valt er niet te kiezen. Omdat ik niet dol ben op zeedingen en een sandwich me ook een beetje schraal lijkt, vraag ik of het mogelijk is om een pizza met groente te krijgen, maar zelf dat is niet mogelijk. Vooruit, dan maar een Kingkrab pizza, we zijn tenslotte maar één keer in het Kingkrabrijke zuiden en het is ook wel leuk om een lokaal zeeproduct te proberen. Ik kan jullie vertellen dat het niet tegenviel, het was zelfs best lekker, al had de pizza naast een berg kingkrab en een kilo kaas ook best wat groens kunnen gebruiken.

Op de boot wordt ik wakker wanneer het licht wordt. Overal om me heen liggen nog mensen te slapen, maar er zijn er ook een aantal naar muziek aan het luisteren. Net als gisterenavond, net voordat ik ging slapen, loop ik naar buiten, naar het voordek, waar ik met mijn ogen knipperend de koude ontwakenende omgeving in me opneem. We varen in een mistig gebied, waar grote rotsen of bergen door de nevels heen steken. Het is een mysterieus schouwspel dat traag aan mijn ogen voorbijtrekt. Hier is geen spoor van beschaving op de kust, alleen licht begroeide rotsen die als reuzen het water uitsteken. We beginnen het eind van de wereld te naderen.

Het ontbijt volgt en later op de dag klaart het wat op buiten. Op de boot ben ik mooi in de gelegenheid om mijn blogjes bij te werken die ik de afgelopen week niet heb kunnen schrijven. Van achter mijn laptop zie ik, zittend in de warme combuis, onophoudelijk water en rotsen voorbij schuiven. Het is een mooi beeld, maar niet de moeite waard om de hele dag voor op het dek te staan in de kou (het is ongeveer 7 graden buiten denk ik). Zo typ ik een blogje, ga even op het dek kijken, en typ ik weer een blogje. Een perfecte afwisseling, ik kan er wel aan wennen.

Maar dan komt het moment dat de boot een klein stukje open zee bereikt en de boot meer begint te schommelen. Voor scheepslui zijn de bewegingen die ons schip maakt nog steeds een lachertje (heb ik ooit van een kapitein gehoord in Nieuw Zeeland), maar ik wordt er al snel beroerd van. Ik moet terug naar mijn stoel en me op de golfslag concentreren zodat mijn situatie stabiel wordt. Ik weet het, als het op varen aankomt ben ik echt een mietje, maar ik wordt gewoon kotsmisselijk van dat bewegen. Ik beloof mezelf wederom plechtig om niet snel meer aan boord van een boot te stappen, beseffende dat ik mezelf toch weer niet lang aan die belofte zal kunnen houden. Ik ben gewoon gemaakt voor het land, niet voor de zee en niet voor de lucht, maar zo nu en dan moet je wel.

We varen Beagle Channel in, de zeestraat die genoemd is naar het schip waarmee Charles Darwin dit stuk van de wereld bereikte. De kapitein van het schip, Meneer Fitz Roy, is ook geen onbekende, naar hem is een voor ons inmiddels bekende berg vernoemd. Op 29 januari 1833 zag Charles hier voor het eerst een gletsjer en schreef in zijn aantekeningenboek: “many glaciers beryl blue most beautiful contrasted with snow”. Dat zijn de gletsjers die wij vandaag ook zien (althans, op dezelfde locatie), een bijzonder fenomeen. We zijn natuurlijk al erg verwend geraakt als het op gletsjers aankomt; wie Perito Moreno gezien heeft is niet snel meer onder de indruk. Toch vinden we hier weer een aantal juweeltjes, enorme rivieren van sneeuw en ijs die vanuit hoog in de bergen tot aan het water reiken. Het feit dat wij hier met ons “kleine” bootje langs varen en dat er verder geen andere toeristen zijn, geen mogelijkheid tot buslading Israëlieten of Duitsers of aangelegde wandelpaden, maakt het extra bijzonder om de gletsjers te zien. We varen hier echt in de zuidelijkste regionen op aarde en er is geen stervende ziel te bekennen.

De ene na de andere gletsjer schuift aan ons voorbij en het is flink werken met al dat fotograferen. Leo probeert ook het een en ander te filmen, maar ik ben benieuwd wat daar uit komt. Het is namelijk niet mogelijk om goed vast te leggen hoe je dit landschap ervaart, vooral door de enorme schaal die het heeft. Dat is op foto’s in elk geval niet terug te zien, een enorme rauwe gletsjer van sneeuw en ijs verpietert zonder mensen op de voorgrond tot een schattig wit sneeuwveldje. Daarnaast mis je nog andere dimensies, zoals de koude wind, de stilte en de ietwat zoute zeegeur. Wanneer wordt er nou eens een apparaat uitgevonden die dat ook allemaal simuleert? We wachten hoopvol af.

Na lang varen over Beagle Channel zien we aan onze linkerhand Ushuaia verschijnen. Op een vlakker stukje land aan de voet van de bergen ligt het stadje er rustig bij. Het is inmiddels 21.00 uur geweest, de avond gaat zo vallen, maar omdat het laat donker wordt kunnen we dit nog bij daglicht meemaken. Zelf varen we door naar Puerto Williams, een nog zuidelijker gelegen dorpje aan de rechterkant van het kanaal en op het eiland Navarino. Eiland Navarino is Chileens grondgebied, Ushuaia behoort tot Argentinië. We varen dus op de grens tussen de twee landen; links zien we Argentinië, rechts zien we Chili. Per boot hebben we het zuidelijkste punt op mijn reis bereikt, een aangename manier van reizen, ondanks het uurtje schommeling waarin ik misselijk werd. De avond valt en in de verte zien we de lichtjes van het kleine Chileense dorpje waar we naartoe varen. Pas rond 23.30 uur meert de boot er aan en kunnen we van boord. Aanvankelijk hadden we het idee om aan boord te blijven slapen omdat we niet het idee hadden dat we nog bij ons geboekte hostel terecht zouden kunnen, maar net wanneer we ons klaar willen gaan maken voor de nacht worden we begroet door de manager van het hostel, die ons een lift aanbiedt. Erg goed geregeld allemaal dus, al kun je dat niet zeggen van de kamer waarin we later terecht komen. De kamer met twee losse bedden is plots veranderd in een kamer met stapelbed, die overigens zo klein is dat we amper plek hebben om onze tassen neer te zetten. Ook de gangen waardoor we moeten lopen zijn van gehorig materiaal en alles behalve degelijk. Daarnaast is onze badkamer dezelfde als die van de eigenaar en moeten we langs zijn bed lopen wanneer we die willen bereiken (er zit nog wel een gordijn tussen, maar dat is dan ook alles). Op de vraag of er wifi is schudt de eigenaar verbaasd zijn hoofd, alsof hij wil zeggen; “hoe hadden jullie dat kunnen denken? Natuurlijk niet!” Bij onze reservering op internet werd er echter schaamteloos mee geadverteerd en de volgende dag zien we dat ook de voorgevel van het hostel versierd is met de vier letters. Een typisch gevalletje van beetje jammer, helemaal omdat het geen extreem goedkope slaapplek is. Maar ja, we zitten in het zuiden van het zuiden, en op Isla Navarino is dit bij mijn weten het enige hostel, we hebben niet veel keus. Gelukkig liggen de bedden goed en hebben we het niet koud wanneer we rond 01.00 uur in slaap vallen, de basis is dus gelukkig wel in orde.

Het standaard recept in de ochtend: Uitslapen, ontbijten en uitchecken. In de lobby skype ik nog even met Renee en dan gaan Leo en ik richting het centrum. Hoewel Leo gisteren al een muts heeft gekocht zag hij ook nog een andere muts die hem erg fijn leek en die wil hij vandaag alsnog gaan kopen. Terwijl hij erachter komt dat de muts niet meer bij de kraam te koop is maak ik een paar foto’s van de statige gebouwen die het plein omringen, want dat was ik gisteren vergeten. Aansluitend hebben we een goede lunch in de plaatselijke snackbar, die er een beetje oud uitziet maar prima eten serveert. We kopen nog wat bier bij de supermarkt (Austral uit Punta Arenas; het meest zuidelijk gebrouwen bier ter wereld) en begeven ons naar de hoofdattractie van vandaag; het kerkhof van Punta Arenas.

Al van buiten het kerkhof, dat overigens tegenover ons hostel begint, is duidelijk dat het hier niet om een doorsnee kerkhof gaat. Het enorme kerkhof van Punta Arenas wordt omringd door een muur van wel vier meter hoog en is één van de grootste begraafplaatsen van Zuid-Amerika. Bij binnenkomst verbazen we ons meteen over de honderden graven die als flatgebouwen de lucht in steken. Ik heb zoiets als dit al eerder gezien samen met Jeroen in Sucre, maar toch is het weer indrukwekkend om te aanschouwen. De graven zijn kleurrijk versierd en ook hier heeft elk graf zijn eigen etalage met spullen die de begravene lief had of mooi vond, zoals; speelgoed, sigaretten, bloemen, beeldjes of foto’s. Bij elk graf staan vele bloemen, net als in de perkjes tussen de graven in. Helaas is het meerendeel van de bloemen van plastic en ziet het er allemaal dus een beetje goedkoop uit, maar het lijkt in elk geval alsof ze allemaal in bloei staan.

We komen bij de familiegraven en kijken onze ogen uit. De omvang van enkele graven is enorm, we zien gebouwtjes die aan een plein in Rome niet zouden misstaan. Ook zijn er meerdere graven met een nautisch tintje omdat veel overledenen zeevaarders waren. We zien veel namen uit Oost-Europa, van mensen uit Kroatië en Joegoslavië. Hier ervaar je dus dat dit stadje een internationale geschiedenis kent die nauw verbonden is met de zeevaart. Op het kerkhof staan ook vele bijzondere heggen die als lange vingers uit de grond lijken te steken, elk wel 5 meter hoog. Ze zijn keurig bijgeknipt en vormen lange rijen waar je als nietig mensje doorheen loopt. Een prachtig kerkhof dus, vooral ook omdat alle graven zo persoonlijk zijn versierd. We zien zelfs een geheel roze graf, dat kom je in Nederland toch niet snel tegen geloof ik. Wat jammer eigenlijk dat we er in Nederland zo’n kleurloze manier van begraven op na houden. Misschien moet ik daar maar eens verandering in gaan brengen wanneer ik weer terug ben.

Om 16.00 uur rijdt de taxi voor en worden we naar de haven gebracht. De boot die ons de komende 30 uur zal vervoeren ligt al klaar voor vertrek, maar we moeten nog tot 17.00 uur wachten voordat we aan boord mogen. Het vaartuig is minder groot dan we verwacht hadden en staat vol met auto’s en andere voertuigen. Het blijkt dat we aan boord stappen van een soort veerboot, die er van buitenaf niet echt zeewaardig uitziet. Wanneer we even later echter aan boord zijn blijkt ons vooroordeel niet te kloppen; van binnen is de boot ruim en nieuw ingericht en van alle gemakken voorzien. Er zijn maar een handjevol reizigers aan boord, een stuk of 25, dus we kunnen overal zitten waar we willen. De stoelen waarop we vannacht zullen slapen zijn hetzelfde als in de meeste bussen die we afgelopen maand hebben genomen; ruim en zacht. We mogen aan boord vrij rondlopen en kunnen naar wens het dek betreden, er is geen verboden zone of iets dergelijks. En zo varen we de haven van Punta Arenas uit, op weg naar het zuiden van het zuiden.

Niet lang na vertrek krijgen we een avondmaaltijd, die is bij de bootprijs inbegrepen. Het is behoorlijk goed geregeld allemaal, op de koffie of thee na dan, die vooral Leo erg mist. Tegen het vallen van de avond varen we de zeearm uit en wordt het buiten te guur en te koud om lang op het dek te staan. We nemen plaats in onze stoelen en sluiten onze ogen. Morgen in de voetsporen van Charles Darwin in Beagle Channel.

Torres del Paine hebben we gezien en dus is er niet veel rede meer om in Puerto Natales te blijven. In de ochtend nemen we de bus naar Punta Arenas, een havenstadje ongeveer 3 uur rijden ten zuidoosten van Puerto Natales. Ook tijdens deze rit zien we weer veel fauna in de voor de verderrest uitgestorven graslanden. Vooral schapen en nandoes doen zich tegoed aan het lage groen dat hier is te vinden. Naarmate we Punta Arenas naderen wordt het beter weer, niet echt wat we hadden verwacht om eerlijk te zijn. We hadden juist gedacht dat hoe zuidelijk we zouden komen, hoe slechter het weer zou worden, maar dat blijkt dus niet het geval te zijn. In Punta Arenas is het zelfs zo’n mooi weer dat ik mijn jas uittrek en me afvraag waar ik mijn korte broek ook alweer heb gelaten.

Na een wandeling van 5 á 10 minuten komen we aan bij ons hostel, waar we een kamer krijgen in een soort achterhuis. Op de bovenverdieping van het pand bevinden zich drie slaapkamers, één badkamer en een leefruimte met keuken. We hebben de hele etage voor ons zelf, alleen vergeet de eigenaar ons dat te vertellen. Wanneer we onze kamer verlaten om het stadje in te gaan laten we alle deuren dan ook achter ons in het slot vallen. We hebben één sleutel gekregen van de man en nemen aan dat die op alle deuren past (je voelt hem natuurlijk al aankomen).

We hebben voor morgen een boottocht geboekt naar Puerto Williams; de meest zuidelijke plek die ik op mijn reis zal bezoeken. Puerto Williams is dertig uur varen vanaf Punta Arenas en de boottocht (die maar liefst 150 euro kost) voert langs prachtige fjorden. We krijgen op die manier een bijzonder stukje Zuid-Amerika mee wat vele zeevaarders vóór ons ook hebben gezien, we zullen door Beagle Channel varen. Om morgen aan boord te kunnen moeten we echter wel onze gereserveerde tickets ophalen vóór vijf uur vandaag, dus we gaan op zoek naar een pinautomaat en lopen naar de haven. Een wandeling van een uur heen en een taxi-ritje van 10 minuten terug later zijn we de trotse bezitters van twee kaarten voor de boot en bekijken we het centrum van Punta Arenas. Aan de statige gebouwen rondom het Plaza de Armas is te zien dat het dorpje een rijke culturele geschiedenis kent. Er staan diverse rijk versierde gebouwen met duidelijk Europese invloeden. We kopen een muts voor Leo op het plein en drinken wat warms in een gezellig restaurantje. Op de terugweg naar het hostel plunderen we de plaatselijke supermarkt; we hebben een keukentje dus er kan vanavond worden gekookt!

We arriveren bij ons hostel en lopen zonder problemen het achterhuis in. De sleutel, die wel op de voordeur past, past echter niet op de kamerdeur die we in het slot hebben laten vallen. Verbaasd kijken we elkaar aan en checken we of we niet ook nog een andere sleutel hebben gekregen van de eigenaar. De enige sleutel die we kunnen vinden is die van de voordeur van het huisje en die sleutel past niet op onze kamerdeur. Ik loop naar de receptie om de man om opheldering te vragen en daar vertelt hij me voor het eerst dat we de hele bovenverdieping voor ons alleen hebben en dat het niet de bedoeling is dat we de deuren op slot doen. Alsof ik dat had moeten weten kijkt hij me aan en vervolgens wanhopig in het rond, op zoek naar een sleutel die hij zegt niet te hebben. Daar zitten we dan, in de keuken van ons hostel, afgesloten van alle spullen die op onze gesloten kamer liggen. Het is een rare situatie, een hostel dat de sleutel van zijn eigen deuren niet heeft, maar ik kan de grap er wel van inzien. Zo lang we morgen maar op tijd onze spullen hebben om naar de boot te gaan. Gelukkig vindt de man tot zijn eigen verbazing 10 minuten later al een sleutel van de deur en kunnen we alsnog naar binnen.

Het avondeten bestaat uit het laatste blik ravioli dat ik vier dagen door Torres del Paine heen heb gesjouwd. Met wat groente erbij en een lapje vlees smaakt het prima. In de avond discussiëren we aan de hand van wat komische informatie op internet over de ouderdom en grootte van het heelal. Ook een eventuele marsmissie komt ter sprake, wellicht wordt dat wel mijn volgende reis…

Op onze laatste ochtend in Torres del Paine staat de hoofdattractie van het Nationale Park op onze agenda; uitzichtpunt Mirador Las Torres. Vanaf onze camping op 409 meter hoogte kost het volgens onze kaart ongeveer twee uur om het uitzichtpunt op 886 meter hoogte te bereiken. Een klim van 477 meter in twee uur tijd dus, geen slechte oefening voor de beenspieren. Om de wandeling nog iets specialer te maken is het mogelijk om rond 04.00 uur snachts te vertrekken, zodat je boven bent wanneer de zon opkomt. Ik maak natuurlijk graag van die mogelijkheid gebruik en sta om 03.30 uur naast mijn “bed”. Leo twijfelt of hij meegaat, maar blijft uiteindelijk toch maar in zijn bed liggen. Na de wandeling van gisteren en een derde nacht slapen op een harde vloer in een klein tentje lijkt het hem niet haalbaar om de flinke klim in twee uur tijd te volbrengen. Daarnaast moeten we na het bezoeken van het uitzichtpunt de tent weer opbreken, alles inpakken en minstens twee uur lopen om uit het park te komen. De bus vertrekt om 14.00 uur in het dal en die willen we wel graag halen, dus het is verstandiger om te blijven liggen, al mist hij daardoor wel weer een mooi uitzichtpunt in het park.

Ik ontbijt op de camping en om 03.55 uur begin ik gewapend met een zaklamp aan mijn ochtendwandeling door de duisternis. Het is best raar om zo ‘s-nachts door alleen een donker bos te lopen, in een vreemd land en zonder iemand in de buurt. Ik probeer alle obstakels die ik tegenkom te ontwijken, maar kan niet voorkomen dat ik hier en daar bijna over een boomwortel struikel. Het donkere pad loopt door de bossen omhoog en ik moet flink werken om tegen de berg omhoog te komen; maar goed dat Leo niet is meegegaan. Omdat ik niet weet wat ik onderweg allemaal tegen zou kunnen komen aan wilde dieren en ik mijn evenwicht dan beter kan bewaren, pak ik een dikke wandelstok van de grond. Nu ben ik in elk geval opgewassen tegen een wilde kat-achtige die zich vastgrijpt in mijn been.

Na 45 minuten is het al aan het schemeren en kom ik aan bij Campamento Las Torres, waar ik andere mensen zie vertrekken op weg naar de top. Het is nu 04.45 uur en het is nog 45 minuten lopen naar het uitzichtpunt, dus ik lig voor op schema. Vanaf Campamento Las Torres is de klim naar het uitzichtpunt erg steil. 45 minuten lang loop ik tegen de berg op zonder ook maar één vlak stuk tegen te komen. Onderweg wordt het lichter en lichter en wanneer ik de top bereik heb ik geen zaklamp meer nodig om alles te kunnen zien. De laatste honderd meter moet ik klimmen over grote rotsen, de boomgrens ben ik inmiddels gepasseerd. In een wereld van steen en ijs bereik ik het eind van het pad en zie ik de drie enorme stenen torens waar het allemaal om te doen is. Op de voorgrond ligt een stil meer van smeltwater, de perfecte situatie voor een mooie foto. Ik begrijp waarom dit één van de hoogtepunten is in het park, de enorme vertikale rotsenpartijen zijn erg indrukwekkend van zo dichtbij. Het is half zes en er zijn ongeveer 20 mensen boven die allemaal hopen op een mooie zonsopgang die de rotsen rood zal doen kleuren. Het is echter bewolkt en zonnestralen zitten er helaas niet in. Al fotograferend wacht ik nog 45 minuten in de hoop op één klein zonnestraaltje, maar uiteindelijk geef ik het op en begin ik aan mijn weg terug naar de tent. Waar het stijgen op de heenweg al redelijk snel ging, gaat het afdalen nog sneller. Binnen 21 minuten sta ik weer bij Campamento Las Torres en nog eens 35 minuten later sta ik weer bij de tent. Het is dan ongeveer 07.15 uur en Leo ligt nog op één oor. Ik kruip de tent maar weer in en probeer nog even een oogje dicht te doen na mijn verfrissende ochtendwandeling.

Om 08.00 uur staan we op en gaan we inpakken. Om 09.30 uur verlaten we het kamp en gaan we op pad. Onze laatste harde nacht zit erop, vanavond zullen we weer in een lekker zacht bedje liggen. De laatste wandeling die we maken in Torres del Paine is die van Campamento Chileno naar Hosteria Las Torres. Vanaf Hosteria Las Torres zal een busje ons terugbrengen naar de beschaving, naar daar waar de zachte bedden zijn. De route naar Hosteria Las Torres bestaat uit een stukje klimmen (ongeveer 100 meter hoogteverschil) en vervolgens uit alleen maar afdalen (ongeveer 370 meter hoogteverschil). Het eerste stuk gaat zeer traag bij Leo, maar hij houdt het goed vol (een Nederlandse vrouw die Leo passeert spreekt tegen haar echtgenoot, na het zien van Leo en zijn bepakking, de legendarische woorden; “O mijn god!”). Het afdalen gaat een stuk sneller, We hebben er een aardig tempo in zitten en nog vóór het middaguur staan we beneden.

Het wachten is nu op de bus, die om 14.00 uur zal arriveren. We maken onze laatste blikken open (sardines met tomatensaus en tonijn in olie) en kijken voldaan terug op de bergen. Torres del Paine zit erop, het wandelen en kamperen is met succes verlopen. Hoewel we de omgeving de afgelopen dagen veel op de Alpen vonden lijken en het hier niet spectaculairder vonden dan bij Fitz Roy of de Perito Moreno gletsjer, hebben we prachtig gewandeld. Onderscheidende hoogtepunten vond ik de twee uitzichtpunten; Mirador Britanico en Mirador Las Torres, maar helaas kan Leo daar dus niet over meepraten. Die enorme vertikale rotspunten maken het de moeite waard om dit gebied te bezoeken, al was ik door het uitzicht bij Fitz Roy vorige week nog net iets meer onder de indruk.

We komen terug in Puerto Natales rond 17.00 uur en checken in bij ons vertrouwde hostel, waar we de gehuurde campingspullen inleveren, onze opgeslagen spullen uit de kast halen en ons opfrissen. De tijd van het genieten is aangebroken, vanavond geen koude homp deeg meer als diner, of een houten plank als bed. We gaan heerlijk uit eten bij de lokale Mexicaan (weer een fantastische vegetarische maaltijd overigens, dat gaat goedkomen Renee) en verbazen ons nog even over de lage rekening die we krijgen. De door ons bestelde Cesarsalade werd niet geleverd en staat op ons verzoek dus ook niet op de bon, maar het lijkt erop dat ze nog meer hebben weggelaten, wellicht uit coulance. Voor 10 euro per persoon hebben we een hoofdgerecht met drankje en een dessert op, een onmogelijk lage prijs voor Chileense begrippen. Het zal niet helemaal kloppen wat hier gerekend is, maar dan hadden ze ook maar beter op moeten letten met onze salade, dus we besluiten en niks van te zeggen. We betalen en verlaten het restaurant in de hoop dat er niet iemand met een deegroller achter ons aan komt gehold om alsnog extra geld in ontvangst te nemen. Dat gebeurt gelukkig niet en niet veel later val ik in een diepe slaap in een heerlijk zacht bedje.

Op papier is vandaag de zwaarste dag van onze trekking. Via een grillig pad zullen we ongeveer 400 meter stijgen, om vervolgens weer 150 meter te dalen. En het punt is dat we met volle bepakking lopen, niet zomaar een dagrugzakje dus. Volgens de kaart zou de wandeling zo’n 6 uur moeten duren, maar na eergisteren weet ik dat dat weleens een stukje langer kan gaan worden.

We staan rond 08.00 uur op en pakken alles in. Leo moet weer passen en meten met zijn bagage en moet zijn rugzak opnieuw organiseren (toen hij voor het eerst opstond met zijn rugzak torende die ongeveer 50 cm boven hem uit en viel hij bijna om!). Het is komisch maar tegelijkertijd sneu om hem zo te zien worstelen met zijn kilo’s. Hij moet zelfs gaan zitten of ik moet hem helpen bij het aantrekken, anders krijgt hij zijn backpack niet op zijn rug. Ik bied nog aan om iets voor hem te dragen maar dat wil hij natuurlijk niet, koppig zoals altijd. Uiteindelijk heeft hij alles op zijn rug en kunnen we vertrekken. Ik koop nog een brood bij de refuge (8 euro, het duurste brood dat ik ooit heb gekocht) en rond 09.30 uur gaan we op pad.

Het wandelen gaat best aardig, qua helling valt het allemaal wel mee en vooral de lange duur van de klim is wat het zwaar zal maken vandaag. Ik loop telkens een stuk voor Leo uit omdat ik veel sneller ga en wacht dan op een steen totdat hij weer de hoek om komt. Na steile stukken zit ik soms wel 5 minuten te wachten, bij vlakke stukken is het veel minder. Het gaat dus gestaag, maar het gaat. Het uitzicht onderweg is minstens zo mooi als dat van de afgelopen dagen, dus het is voor mij niet erg om af en toe te moeten wachten. Ik kan een beetje om me heen kijken en genieten van wat ik zie. Onderweg komen we veel andere wandelaars tegen, het is wel duidelijk dat dit één van de meest bekende wandelroutes van Zuid-Amerika is. We zien overigens vooral jongeren met backpacks, de ouderen die we zien zijn op één hand te tellen en dragen slechts een beschaafde dagrugzak (en natuurlijk de beruchte matalen stokken). Leo is een unieke verschijning in deze contreien, ik denk niet dat er een andere zestiger op pad is met zoveel kilo’s op zijn rug.

Na een uurtje of 5 lopen begint het pad iets sterker te stijgen en krijgen we het iets zwaarder. Niet alleen Leo voelt zijn bovenbenen, na de flinke wandeling van gisteren moet ik ook af en toe rusten. De klim is pittig maar uiteindelijk goed te doen voor mij. Leo is blij wanneer hij boven komt, hij heeft het wel een beetje gehad met lopen vandaag. Na 7 uur lopen kunnen we vanuit het hoogste punt op de wandeling de refuge zien waar onze camping zich bevindt. Daar in de verte in het dal ligt onze thuishaven op ons te wachten. Er is een enorme wind op het laatste stuk van onze route en we moeten uitkijken dat we niet omver worden geblazen. Het rotsachtige pad loopt aan één kant redelijk steil af richting een grote rivier die in het dal ver beneden ons stroomt; daar wil je niet in vallen. We komen ook nog een aantal toeristen te paard tegen, die de dieren over onmogelijke bergweggetjes leiden. Echt niet te geloven dat er mensen zijn die dat leuk vinden, op de rug van een paard over een steil rotsachtig pad langs een afgrond rijden. Het moet je hobby maar zijn (sorry Renee, dat is dus echt een stapje te ver voor deze jongen!). Ik heb op de een of andere manier gewoon het rare idee in mijn hoofd dat een paard op een vlak stuk gras thuis hoort tussen de bloemetjes en niet in de bergen, maar wellicht kunnen de beesten dat prima aan, ik heb geen idee.

We komen rond 17.00 uur aan bij de camping, waar we onze tent weer op een plateautje zetten. Het was een lange en vermoeiende dag, maar we hebben het weer gered. Gelukkig was het weer prima; af en toe een paar flinke windstoten, maar het was verder licht bewolkt of zonnig. We drinken weer een kop warme chocolademelk en komen in de windstille en warme refuge bij van ons avontuur. Voordat we vroeg gaan slapen eten we een blik ravioli op saus en een blik perziken toe, een heerlijke maaltijd na zo’n dag wandelen.